Posts tonen met het label column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label column. Alle posts tonen

maandag 17 december 2012

Van zaak Schafthuizen naar nu in Schiedam

"In 1998 stuit een vrouwelijke abonnee van de artotheek in Schiedam
bij het ‘doorbladeren’ van een diapresentatie op enkele naar kinder-
porno neigende foto’s van Joop Schafthuizen, de partner van schrijver
Gerard Reve. De vrouw deed aangifte bij de politie. De artotheek had
het werk, dat dateert uit de jaren zestig, begin jaren zeventig aange-
kocht. De afbeeldingen vormden onderdeel van vijf collages met totaal
circa 100 foto’s. ‘Het werk werd zelden of nooit uitgeleend’(Leenes, 19-
98).
Volgens krantenberichten waren op enkele collages naakte jongens te
zien die elkaar met de hand bevredigden. Het werk werd in beslag ge-
nomen door Justitie, die het kwalificeerde als kinderporno. In septem-
ber 1999 besliste Justitie dat de vijf collages niet meer in het openbaar
vertoond mogen worden. Joop Schafthuizen doet afstand van de foto-
collages en wordt niet vervolgd (Volkskrant 11-9-1999).”
(Bron: Tijdschrift voor Seksuologie 2001, artikel; Frits Wafelbakker)

Dat was in 1999.

Nu in 2009:
Pc107997
Foto’s SAGE, een paar dagen geleden gefotografeerd in de Hoogstraat,
 Schiedam.

Klbew_pc107995

Tegenwoordig waait er een nieuw vrij windje door Justitie en Schiedam?

Of is er de mogelijkheid dat nog geen Schiedammer m/v een lekker
aanstootje aan het bovenstaande heeft beleefd? Nu ja, dat gaat na dit
stukje dan toch zeker graag wel gebeuren, want ha zag nu toch eens
hoe, en dan ook nog eens heel openbaarlijk en onbeschaamd te koop!

vrijdag 14 december 2012

Bloemlezing

De iris wil de lelie naar de roos vertulpen
om de chrysant, zo gerbera lijkend, op
een gladiool als boomwurger te hebben
en de klimhedera als guldenroede in al
de blauwe regen te laten staan met een
scheutje kampferfoelie op de aronskelk
want lamsoor daar heeft zij als ameryllis
liefhebber een hekel aan als was het een
anjer die zich orchidee waant in een bos
begonia’s waar de azalea scepter voert
met de hortensia’s als onderdanen net
zo braaf als dopheide die zich belaagd
voelt door de bellenplant met hertshooi
in kruingroei waar een narcis jaloers op
zou worden ware het niet dat die als klim-
op zich inzet voor de palmlelie om kerst-
ster te worden naast de bekerplant zodat
de venus vliegenval geen ooievaarsbek
in het vizier krijgt om een boterbloempje
mee te scoren die als paardebloem zal
eindigen in een veld van madeliefjes zo
vol van jasmijn dat ze de fuchsia totaal
in de schaduw stellen met als gevolg dat
de lavendel aan de papaver het verhaal
vertelt van ene hyacint die in grote na-
ijver verkeert zich te ontdoen van mar-
griet heus zeker de overplant zich zo in
de zon van het heelal stellend dat zelfs
de stokroos op de hand van iris is ook
al deed zij dit hele verhaal korenbloem-
mig in bedrijf gaan als was het een vol-
ledige zonnebloem in passiebloemsfeer
waarmee zelfs het vergeetmijnietje wilde
instemmen ware het niet dat bereklauw
daar een kogeldistel tussen propte om
de bloeiwereld nog van wat zuivere dot-
terbloem te voorzien zodat ook de dove-
netel zich nog even kon beroeren aan dit
irislelieverhaaltje om zo ook het wat be-
scheiden akkerviooltje een witkleurtje te
laten meefleuren waar zelfs de klaproos
van vergat te klappen waarom de melk-
distel heel erg moest lachen zo hard dat
‘t rode peperboompje zich erbij aansloot
opdat de daverende klaver samen met
de chinese roos zich zouden inbinden om
niet tot witte klaverzuring te verworden
waarvan de krokus nogal flink schande
sprak tegen de deftige eucalyptus met
heus vermeende verre familie in de exo-
tische tak waar ook de rhodondendron
zich in ernstige mate toe rekent al doet
de kardinaalsmuts dit al tijden ontkennen
met een ontkenning waar het kleefkruid
menige grap al mee uihaalde zo leuk dat
ervan de monikskap zich in muskuskruid
hulde die daar weer heel niet blij mee was
vanwege het struisgras dat veel te erg be-
vriend is met de familie weegbree in goede
doen als gevolg van een louche handel met
de firma krenteboom wel zo erg openlijk be-
dreven dat de blauwe anemoon het rozen-
kransje om al de nodige raad vroeg al zat
de valse kamille er direct weer tussen met
een roddel geleend van de wondklaver die
het van stijve windhalm had en waarvan de
grote klit het zo op de helse zenuwen kreeg
dat deez bloemlezing heel wel in ‘t valkruid
dreigde te eindigen had ff de pijpbloem het
niet in de schmiezen gehad met zijn mak-
ker geitebaard onder zijn gevoelige steel-
zog waarin ook mansoor mee kabbelde als
bevond ie zich in het gebied van de wijfjes-
varen met wolfskers in het voortuintje en
zicht op hemelboom omringd door berglook
zo stevig odeurend dat de hartbladige els
een wijle verderop ging vertoeven bij het
geliefde papagaaiekruid dat welwillend een
bloemleesgedicht voordroeg maar dat door
iris werd verworpen als zijnde weinig origi-
neel omdat er onder andere hier al iets
van te vinden is zodat de blauwe guichel-
heil fijn de kans kreeg met vreugde alsook
met compassie deze bloemlezing te beëin-
digen in zo’n stevige guichel dat de alstroe-
meria alle geloof in de irispoging om de le-
lie te vertulpen verloor en met niet meer dan
onderstaand plaatje in haar kelkjes het ge-
heel van die poging afdeed met de oude en
welbekende spreuk over het alom bestaan-
de leven en vooral dat het een

P1070242_dode_zwartkop
is.

maandag 10 december 2012

Er lag er weer een

Wit met rode letters dit keer.

Zo’n drie, vier keer per week komt er een via de brievenbus de gang
in gefladderd. Ditmaal is hij afkomstig van Hadji, een professor die
zich voorstelt als een Afrikaans, intenationaal zeer snel werkend me-
dium, hulp biedend bij terugkeer geliefde, carriëre, examen, kans op
geluk, sexuele impotentie, onvruchtbaarheid, slechte geesten. Zelfs
bij hopeloze problemen en alle andere occulte werkzaamheden is er
zijn hulp.

Heus, dat al word je op dit

Kl_bew_hatsjie

dwarrelbriefje gegeven.

Het feit dat deze aanbiedingen -als pad naar het ultieme geluk- iedere
week zich op de deurmat vlijen, het geeft het raargename gevoel dat
de buitenwereld met een zekerheid van drie, vier keer in de week zich
om het wel, maar vooral ook wee van een ieder wil bekommeren, dat
ze de zieleheil als iets bijzonders acht, er over waakt, er mee aan de
slag wil voordat de ellende niet meer is te overzien, het geluk zich op
het veel te foute spel speelt, men er als een afgedankt impotent frö-
belkarkasje bij zal gaan lopen zonder een sprankel aan hoop om weer
volledig te kunnen herleven, want geliefde weg(?), een te drama uiter-
aard! Maar zoals gezegd: geen paniek, de wereld in de heerlijke hoe-
danigheid van profje Hadji helpt bij terugkeer ervan op ondoorgronde-
lijke Afrikaanse mediumale wijze. Aan het eind van het binnendwarrel-
papiertje meent de professor zelfs:

Als u komt zult u gelukkig zijn (uitroepteken).

Al jaren worden ze hilarisch verzameld, deze papieren paden naar het
ultieme geluk. Een duurzame stapel ligt er inmiddels prominent op een
tafeltje. Een versleten ding, dat stapeldraagtafeltje, door de tijd gede-
gradeerd tot ongebruikt en nauwelijks nog opgemerkt voor genoemde
verzamelstapeling van geluk een aanvang nam. Nu beent het oudding
dagelijks centraal het leven binnen. Het dwingt tot een ritueel van kijken
alsook daarbij tot het terugschikken van blaadjes als deze door tocht of
andere windoorzaken van de hilarische stapel dreigen te vallen. Een knap
laag tafeltje ook is het waarop dat ultieme geluk ligt gestapeld, alleen
door te knielen zoals vet religieuze mensen in kerken nogal eens plegen
te doen kan de stapel weer tot de begeerlijke oude rangorde van binnen-
dwarrel worden geschikt.

Gek zou het niet zijn als iemand die de verzamelaar minder goed kent
en bij binnenkomst hem/haar daar zo bezig ziet zomaar gaat veronder-
stellen dat het geheel verdacht veel weg heeft van een huisaltaar, dit
alles nog eens extra benadrukt omdat er een enorme witte kaars naast
het tafeltje geplaatst is omwille van de schimmige dans van schaduwen
die door het flakkeren van de vlam iets ligubers aan het opgestapelde
ultieme geluk geeft, namelijk een wonderlijk laten bewegen bijna van te
dood materiaal waarop al te levendige teksten hun ding liggen te doen.

Uiteraard verklaar ik (jaja ik dus, daar knielend voor ‘t tafeltje) nooit,
bij een vragende blik van zo iemand, dat ik niet geloof, ook niet dat
ik zelfs blij ben dat niet te doen al is dat blij eenvoudig uit te leggen;
het bijbelse beloofde na de dood, hel of hemel, het mag wat mij be-
treft namelijk geen van beide echt wat zijn, zeker niet omdat het nog-
al ergelijk eeuwig duurt zulk een bovendewolkengedoe, denk er ver-
dorie alleen maar eens aan nooit meer te mogen doodgaan en, be-
langrijker nog, dat er in beide nadoodlandjes óf alleen maar het o zo
kwade óf alleen maar het heerlijke goede heerst. Nog niet voor een
kleinste pink aan gemengde bedrijven willen het zijn, die metafysische
afterlapjes. Een wel heel schrapend saaie en niet hebbenswaardige als-
ook, zoals gezegd, veel te eeuwige aangelegenheid in vergelijking met
het aardse beleven waar goed en kwaad opeengeplempt nogal eens
een overheerlijk spanningevend troebel sapje oplevert waarbij, zo leert
de ervaring, een onvoorwaardelijk levenseinde bepaald voor zeker ligt
aangeland en…

Welnu, onbedaarlijk duidelijk moge het zijn; even geen lekker broodje
pekelvlees is het mij, al dat veel te strikt gescheiden goedenkwaadet-
ceteragedoe in ‘t tot nu toe zo ongeziene bovenwerkelijke. Overigens
dit laatste over het geloof wel even heel terzijde hé in deez toch al te
kekke restauratieve godenbliktijden. Dit essaytje wil toch voornamelijk
gaan over ongevaarlijke dwarrelbriefjes waarop met pen of druktoets
een veelbelovend geluk ligt aangedikt. Gelukdikkertjes als; hulp ge-
boden bij terugkeer geliefde, waarbij mogelijk de desbetreffende prof
naar ‘t eigenzinnige partnertje toezweeft met een kranig ondoorgron-
delijk Afrikaans hefvingertje in de aanslag zodat het partnertje daarna
geheel onder de indruk van die erge hef hup blijgemoed terughuppelt
naar vanwaar zij/hij net met bevrijd gemoed vandaan was gerend. Of
wellicht doet de prof heus de ongelukkige hulpzoekende verzekeren
dat hij het partnertje mediumaal zal bevelen zich als de wiedeweerga
weer in de ongelukkige te verlieven. En ‘n belabberde carriëre? Geen
nood aan de hamer! Die wordt natuurlijk geholpen door flux een tele-
phatisch telefoontje naar het carriëreburo te geheimseinen om daar-
mee toch vooral de verdonderde loopbaan van de voor hem zittende
ongelukkige van een danige raketvlucht te verzekeren. Eh… sexuele
impotentie? Ook al heel geen punt voor de internationale prof, binnen
drie minuten zeker helpt ie je daar vanaf door middel van je medium-
azig wat schön verhaspelde Freudiaanse knopen toe te zenden, daar-
bij, toch bezig zijnde, ook wat onverstaanbare bezweringen in de buurt
van je ondertussen mompelend en ploep de potentiekar davert alweer
door je centraal massief alsook over de wat ingedorde dijwellingen.
Onvruchtbaarheid is hierbij uiteraard ondenkbaar en ook daar heeft
deze erg internationale toverman in zijn brieftasje vol gelukshulp een
plaatsje voor gereserveerd, heel wel mogelijk zelfs bestaande uit een
tuitflesje of wat gemalen Afrikaans zacht gras, dat, bij gebleken on-
vruchtbaarheid van betreffende persoon, over de erge onvrucht wordt
uitgestrooid met hoogst waarschijnlijk ook nog eens iets van een baar-
formule erbij uitgepreveld, daarbij tot alle overdaad van gelukspimp
een van de al leeggestrooide flesjes rondzwaaiend als bezat het de
adem van een kind. En zijn dan uiteindelijk al de ongeluksproblemen
van al de wereld opgelost is er voor de prof heus geen nood aan de
doorgaande tover, want dan zijn er natuurlijk nog al die hopeloze pro-
blemen en andere op het briefje gegeven occulte werkzaamheden
die ha beslist, weliswaar tegen een danig passend tarief, uit elke veel
te zwaarwereld geholpen dienen te worden. Een wijs man dus, die
prof. Echter, uiteindelijk zal ook voor hem alle gelukbreng toch heel
werkelijk op raken, daar doet geen turbotoverplus wat aan, eens zal
een ieder tot op het bot gelukkig zijn in deze wereld, zal niemand nog
zijn gelukbreng nodig hebben, zal hij… Hoewel, volgens het dwarrel-
briefje blijft er nog altijd de hulp bij KANS op heel veel meer nog niet
bestaand geluk. Een uitgekookt eitje voor deze Hadji, toch zeker he-
vig prof zijnd in occulte zaken, want hulp bij een KANS, daar kan hij
allerwegen onzes (ook al danig dubieuze) Heere mee op, een kans
namelijk, hoe onmetelijk groot ook, blijft voor profmens Hadji tover-
veilig tot in het on-on-on-oneindige een zalig vette kans om er altijd
nog een stevig peutje meer geluk geheel en al van rond te strooien.

En ik blijf ze uiteraard stapelen de blaadjes!

Zulk een grotesk geluk, daar is de wereldbol wel mee te belopen.

Goed, een moetende conclusie dan maar?

Met open schoen in de modder loopt het geluk je zo tussen de tenen.

Of ook wel:

Lief gedicht, wij


krasgeel maanlicht giebelt inslagkraters

dun in halfslaap wij
naast schroomland

de pijn uitstekend op de zomer ingesteld

fraai gezonde vissen
spugen water lichter

lucht

in vroege longen

fris kristallen bol heus achterop wat
scooter om de reis van hot op her
ook en vooral niet terug naar huis

in zeven sloten dertien ongelukken wereldrijk
van wit en speelgoed waar geen vogelspin op wilde hond
want zoete lagen in versierde klok aan onbeholpen tijd

lekker dit terrasje
zoveel uitzicht ook

hopla zoef en meubels

sold oud?
sold oud?

haar alleen nog dansbelevenis in wolken
nagalm van de zee
om niet op tijd te hoeven zijn voor het laatjournaal

zondag 9 december 2012

Knngnndg! (column, oudje, bewerkt)

Zit ik hier eergisteren zo op het eind van april
(m’n slaap reeds vroeg en dazend dagvrolijk
in een aura van licht gelazerd) de vele bellen-
blaaspufjes van de afgelopen nacht wat te ver-
bijzonderen naar een liefkoosdoekje zonder
sleurangst voor de komende dag, hoor ik net
buiten het raam van mijn droomsleephokje een
kraken alsof de gevel aankondigt er plots de
brui aan te willen gaan geven, en wellicht erger
nog, of de pui me verdomme wil vertellen dat
de nu komende dag niet meer in alle vrolijk-
heid zal gaan ontstaan zoals andere dagen
het in het verleden wel deden aan zijn funda-
mentvoeten. En dit mogelijk, er moet nogal
eens gegist in het leven, omdat de betonnen
fundo’s onderaan de gevel al zo’n erge 90 jaar
de-wereld-voorbij-kabbelen aan het huidje heb-
ben hangen zodat het sober dragen van de
gevel nog de enige echte streefvervulling kan
behelsen die de fundamentele basis wil op-
brengen. Nu ja, zo wil althans mijn vraagteken-
edachte graag zijn, opgeroepen bij dat zo plot-
e kraken naast het navelstrenge raamgat van
mijn droomvallige schrijfkamertje. Of, anders
gepiept: wat er al niet aan verklaringen wordt
gezocht voor zulke onverwachte gebeurtenis-
sen.

En zo met deze gedachten danig door mijn
plaatelijke kleinwereld rondrekenend om de
boel vooral ordelijk alsook grijpbaar te houden
zakt er ook nog eens na het kraken een kwel-
danig kleurige lap tussen de raamcontouren
van mijn lieflijke droomraaphok (‘n raaphok
mij meestal veel ruimte gevend voor het af-
schudden van het al te buitense waaraan zo-
veel werkelijkheid kleeft, jazeker, al mag het
tegenwoordig zo niet meer gebracht worden,
want potver veel te filosofisch clichématig in-
middels), maar dit heus even terzijde, want
een nauwelijks nog aanwezige wind laat de
zo te plotse kleurenlap zachtjes heen en weer
bewegen met de bedoeling, zoals al een beet-
je gesuggereerd, ook mij, net als de gevel, er
aan te herinneren dat het deze dag niet zo-
maar gegeven is een alledaagse dag te word-
en, nee, dat dit waarschijnlijk zo’n dag zal
gaan willen zijn om weer eens heerlijk tot je
te laten doordringen dat we in het nog altijd
braafste land van gans de wereld wonen ook
al zijn de politieke lieverds te Den Haag de
laatste wat al te lang durende tijd lachwek-
kend nerveus doende nog altijd te klucht-
sappelen in ons (zo hevig door ‘terreur’ ge-
plaagde?) laaglandwereldje. Een sappelen
overigens, geinig dicht in de buurt van de zo
poezelige voetjes van het hoogmens waar-
voor dat lapje nu half voor mijn werelddijk-
gat hangt te deinen in een al voornoemde,
nauwelijks aanwezige wind. Een deinen ook
dat direct aanving nadat een alleenstaan-
buur-vrouw-met-kind het raam opende om
de windvaan op de bruigevel te plaatsen ter
uitbundige viering van ‘t almaar zo fijn voort-
gaande fraaileven, in bescheiden woorden al
beschreven hierboven, met als heel verschrik-
kelijk mooi te verwachten hoogtepunt: het al-
oude draadje, koekje, hap hap hap.

Een heerlijk verbluffend braafsymbool, zo komt
het me op dit moment voor, dat driekleurlapje,
nu wat al te treursiebelend aan een rond, lang,
dun, wit stokhoutlichaam.

Welnu, u is bedankt bedenkelijke buurvrouw,
want door uw vlaghandeling gaan mijn nog van
de nacht warme  éénkleurige lakens me even
later voor zeker weer ontvangen met open doek-
punten opdat ik deze dag even niet hoef leeg te
drinken in een mij vreemde opgelegde vrolijkheid
vol van een zoekhappen van mijn leven, met daar-
bij als extra extra extra!! daabsoluut hoogtepunt:

Maxima lekker volksgeil aan de virtuele koekhap!

Of, nog geiler, Maxima op Hollandse? glijbeugels!

O heerlijk land. Te kijk en van zonsopgang tot op
elk heden te bezoeken.

En toch, en toch… Leve Maxi… Eh… Trix!

(bijna zonder zwartregels)

tea-for-one
op de vlucht naar vreemde sferen puft oefje
op horizon weg met kilo’s olifant schranzend
aan luikende huil met veel juk naar vleugels

hoofdpijn op dagen dat het kantstaren geen water wordt

speelvingers slissen mondvoering naar
smeerwoorden voor lichte spagaatkunst

want kus of twee
heus nagespeeld in hemd

klamp aan losse kleuren graag naar hoogtumult
waar mond weemoed over huig dwars op handen draagt
hol van lesjes steen

(
grijs gebied
)

open deur met aantekening

op de rand van zeepsophelling boter-
letter kaaskoek ei en alcoholvrij bier
(aanverwante zaken doen we onder de toonbank)
een twee drie vier hoedje en papier kan alles slikken

graaf een rechte sleuf in de aarde en je hebt een kanaal
bij voldoende neerslag uit de hemel als god het wil

twee emmertjes water halen
maar die klompen hangen alleen nog aan de wand om Japanners
en van zulke veranderingen komen geen kindjes
ook al knijpt de politiek een oogje toe voor knipperlichtgedoe

schippers schippers schippers

(asfalt om berm)

graag zelf varen
en nee niet naar de overkant
maar om het water

Toevoeging (van geen belang meer dan dat het een toevoeging is):
Hoelang per schip duurt het breien van een gordijn tegen vliegen?

Muurschappelijke zaken

I-ro-nie is een wat te ingehouden mompel van “ik rook niet”?

Of ook wel:

Waar geen rook is, mag veel vuur?

En is het maangodvergeven overdag en nu schijnt die zon niet.
Een raar woord eigenlijk; zon. Het lidwoordje de erachter, en je
zit gelijk in een totaal andere categorie. Hoewel, zon en zonde,
wat past er beter bij elkaar, bij nader inzien.

Poëzie?

Neuh, is niks voor mij, geef mij maar cement en stenen. Wat na-
melijk is er mooier dan zo’n keurig rechtlijnig gemetseld muurtje.
Strak in het vak, strak in de kwak, zeg ik altijd maar. En nogmaals
neuh, inhoudelijk valt er aan mij niet veel te verzachten. En toch,
bij het metselen van de muurtjes ben ik als metselaar wel altijd de
eerste die er overheen kijkt, maar ik mag een ongewassen schoon-
troffel worden als ik me daar heel wel weet of dat inhoudelijk iets
te betekenen heeft, zuiver muurschappelijk gezien dan.

Schrijven, da’s sowieso een rare bezigheid, je schrijft over iets waar
je zelf meestentijds niet in of aanzit. Dus waarom? ‘s Nachts niet
de zon zoeken, dat lijkt mij pas heel nuttig. Of bloemschikken! Ook
leuk! Is zoiets als heel erg veel kleine zonnetjes bij elkaar proppen.
Een bosje zon de luxe, helemaal voor u mejongevrouw, daar knapt
u heerlijk in mij van op.

Schrijven?

Neem nou een gedicht als dit:

So ‘n netjes leven


eer ik voor eeuwig liggen ga
geen been meer zal verzetten
mijn voeten aan septembersla
de haren danig aan het pletten


ja eer ik op een steen zal staan
gebeiteld in begin en eind
het vlees alreeds te ver gegaan
de huid heel slapjes afgeteint


wil ik per bloterike onderbroek
de rulle sokken op halfzeven
mijn mond naar enen kus op zoek


de dood nog wel wat laten streven
door te rukken aan het kille doek
en als een kat mijn zee van levens leven


Waarom zoiets te schrijven? Wat heeft Mien van zestienhoogachter
aan zo’n versje bijvoorbeeld? Mien zit daar vast niet op te wachten.
Mien heeft haar leven aan d’r kop, die heeft geen enkele behoefte
aan al dat poëtengedoe, Mien wil goed vreten en een vent, en Mien
is daar al d’r hele leven een beetje in onderbedeeld, Mien is niet voor
de korte rok geboren zeg maar, Mien bengelt met d’r lege handen
eeuwig langs ‘n oerlelijklange sleepjurk omdat d’r loopstengels met
recht stengels genoemd worden door de zeldzaam aan d’r bedrand
toegekomen mannen die zichzelf, bij nader toezien van al dat be-
nige niets, met dove blindheid zagen beladen en vanuit dit inzicht
dan liever toch kozen voor de wat hoeriger korterokkenstorm ergens
heel ver van Miens plots wel heel ontzielende bedrand, en Mien dan
in tranen uiteraard, heel gewoon overigens, want Mien doet meest-
al in tranen, da’s heel lang geleden al d’r levensroep geworden zeg
maar, vandaar ook dat wonen op zestienhoogachter, mét balkonnetje,
een hoog balkonnetje, een balkonnetje waarvanaf ze tot nu toe nog
niet heeft durven springen bang als ze toch is haar dé man te moeten
mislopen in d’r soepdood daar ergens onder aan de gevel van haar
zoveelhoogachter. Nee, Mien wordt niet nat van zo’n versje, Mien wil-
de zolang als ze zich al kent een vent en Mien wil dat nog steeds, dus
een vers, an d’r reet termee!

Hoewel…

Maar met zo’n doodkwakpsalmpje als hierboven gegeven, daar ontroer
je toch zeker zelfs niet de allerzachtste boterbakker mee tot mannen-
tranen om verliefd op te worden? Nee, die poëten poe he zien maar tot
ze een ons wegen met hun vleugversjes, ze kunnen wat Mien betreft de
voeten van die kersekut aan de overkant beter gaan kussen, tenzij…
Tenzij die poëten zelf aan haar bedrand… Miens stengels willen bij de-
ze gedachte wel klapperen als zijn het plots echte volbenen, Mien moet
er heel erg van kirren, maar van versjes pur sang blijft ze een afkeer
houden. Zoals gezegd; geen boterham kan ermee belegd, en dat, met
een heerlijke vent erbij, dat is waar het allemaal voor haar om draait,
één bloem gekregen van een vent is haar meer poëzie dan heel zo’n
vers als hierboven, d’r balkonnetje zou niet meer voor haar bestaan
zou er nu zo’n heerlijke harige hand vol bloem aan haar bedrand staan
te beleven, zo’n dood vers, ook al is het met zoveel vitaliteit aan leven
d’rin, da’s toch zeker een bord zonder vreten. En dan die zeven levens,
anMienshoela toch zeker, heus, één keer een balkonstort en de andere
zes levens huppelen vrolijk mee de dood in daar onderaan die veelhoog-
gevel terechtgekwakt.

Daar heeft Mien me een behoorlijk stevig punt. En dat is heel knap
van Mien, want alle grote verzenmakers zijn, een beetje in het ge-
niep, reeds lang al tot deze conclusie gekomen, maar daar wist Mien
even helemaal niets van in d’r hierboven zo uitgesproken veelhoog-
achtermening.

Spaland exhibitionisme 3: onderbuikcultuur of de grond van groei vol strekken naar bereikbaar licht…

P8052885
Foto SAGE Spaland in beeld Armando 2007

Spaland en de nietsdoekunst, het is een pijnlijke symbiose, het laat zich
al z’n leven lang aandikken en resulteerde uiteindelijk in een toestand
zoals dat zich op de foto toont: een angel van kale pijn, hem veelal
klaar te moede. Weliswaar nog lievig wordt hij op de foto tijdens zo’n
nietsdoe periode in de rechtervoet gehapt door een kunstding van
Armando, “das Tier” genaamd, maar há, het is wel een wankel even-
wicht op de rand van neiging naar treiter die zich uiteindelijk kan uit-
halen naar een totaal van niet-streefbestaan zich heel wel uitstrekkend
over een langere periode, uiteraard met de alure die bij zo’n niet-streef-
status hoort waarvan algemeen bekend is dat een alure verkregen uit
zo’n status bijna net zoiets is als “das Tier” van Armando met vogel-
veren overgieten. Welnu, zo ook waant Spaland zich veelal tijdens
het altijd maar dreigende nietbezigheidsgedoe; een vogel heel danig
in ‘n extra verenpak gestoken met de hoorflappen oef op het graas-
kussen van de bekende kwaadbrenger in de wereld. Een kwaaipier
overigens, die er nu doodleuk voor gaat zorgen dat dit stukje onbe-
doeld ontspoort naar een voor de lezer onacceptabele voorstelling
van zaken waarin kwaaipier zelf de hoofdrol wil gaan spelen, zo heb
ik het bange vermoeden, zodat het verschrikkelijk tijd wordt ‘t status-
bestaan wat af te wuiven om deze penbouw naar een constante noot
van schoon te laten klinken. Echter, daar hierboven begonnen is met
een op het eerste gezicht vreemd aandoende symbiose moet er nu
ook gezegd dat het heus zijn voordelen kan hebben een niet-werk-
pak te mogen dragen. Want juist door het tijdelijk dragen van dat pak
kan Spaland daarna de ferme snelheid weer aannemen die hij ge-
wend is aan te nemen en waarin hij meestal zo snel gaat als wil de
duvel (en zie lezer hoe de kwaaipier zich hier al vlotjes de tekst in likt)
de schilfers van zijn hielen opvangen en koesteren als danig bewijs
van veel te goed gedrag zodat in ieder geval dit slachtoffer voor zeker
bij zijn kudde gevoegd kan worden later omdat hij, de ingeslopen kwaad-
man, ‘t goedgedragbewijs gaat verdonkeremanen. Tenminste, als de
trage voortbeweging in de stiltijd er niet voor zorgt dat hij, de schilfer-
vanger, in een waarlijk verschrikkelijke baalstand wordt gedoopt. Geen
schilfertje namelijk is er in die tijdsperiode dan meer te vangen zodat
het leven tegen al zijn kwaadweerwwil heus rond gedacht kan naar
het feit dat niet-werk nut kan hebben, een nut verdomd wel ten voor-
dele van een hem bijzonder etterende tegenvoeter, of antagonist zo
u wil, die nogal eens op zijn lauweren wil rusten tijdens zo’n stildoe-
oefening, ook wel daastijd genoemd, omdat het verduisteren van het
bewijsmateriaal vrijwel dan toch tot een volkomen nulpunt wil zijn ge-
daald; de vijand kan dan waarlijk een heel stevig poosje overdadig de
hieper krijgen zo denkt de bovenaardse tegenvoeter op die moment-
en vrijmoedig en schurkt zich nog eens lekker in zijn bovenaards bed-
je waaromheen al de flinterdunne doodgestorven zieltjes zitten die al-
toos braaf hun stildoetijd hebben geleefd in een eerder ondermaans
bestaan en die zich nu de aangesmeerde sprei van het bovenaardse
bed heel getrouw beklampen, bang als ze zijn uit de gratie te vallen
van het heerschap op dat zo onaardse bed. Een heerschap ook dat
meestentijds niet meer dan ronkend slaapfluimen loslaat zo om de
tien seconden als om te tonen dat er heus nog immer leven in hem
zit. Volkomen overbodig overigens, die slaapkraam, want de zieltjes
hebben dat hun hele aardse leven gewis al geweten en ze verdrieten
dan ook zeer van de mogelijkheid dat het niet aflatende fluimgedoe
al de hun zo beloofde zalige eeuwigheid maar door zal gaan duren.
Bovendien is de sprei integenstelling tot al het lieflijke bovenaardse
om hen heen zo ruw dat hun zieltjes reeds snel al de huid verliezen
tot bijna op het nog aanwezig zijnde restje aardse bot zodra ze door
een onzichtbare kracht aan het onaardse bed worden gedropt met
de dwingende mededeling ‘kniel en klamp.’ En dat, het kniel en klamp,
ook dat is bekend bij de zieltjes, dat hebben ze beneden ook altijd ge-
daan. Een makkie dus zo denken ze het eerste uur na dropping aan
het bed meestal. Maar ze rekenen buiten de ruwe sprei zo bleek hier-
boven al. Na een paar dagen van ruw namelijk doemt hierdoor het zo
te goordrieste beeld hen voor de geest van verloren hielschilfers zo
hevig niet door de kwaadvanger gevangen. O, hadden we maar wat
minder niet-gedoe genoten zo beklagen de zieltjes zich. Hadden we
maar doorgewerkt aan ons leven. Dan zaten we nu niet met onze
ontvelde zieltjes hier een ruwe lap te beklampen van iemand die ons
tijdens het aardse bestaan zo vol zalige liefde scheen. Ja, hadden
we maar de schilfervanger meer kans gegeven onze schilfers te
vangen ter verdonkeremaning. Wie weet gaat het er in dit ‘land’
minder ruw aan toe dan in de bovenwereld van die tegenvoeter.
Zijn de spreien er heerlijk zacht. Maar zogauw de zieltjes dat denk-
en doet een extra ferme slaapfluim hun dwaling weer tot de reali-
teit roepen. Wordt de klamp nog eens extra door hun zielsbestaan
aangesterkt tot nog meer op het bot. Zodat ze eigenlijk ook niet
meer weten wat ze met dit zo onaardse zielleleven aanmoeten
in dit verhaal over die Spaland die zich hierboven zo jolig een foto
liet schieten waarop hij behapt wordt door een kunstwerk. Werke-
lijk, de zieltjes hebben geen idee op wat voor ‘n nut ze deze vertel-
ling eigenlijk zijn binnengekomen. Een vertelling zoveel zinlozer
bijna dan hun onaardse klampbestaan aan de ruwsprei waarvan
ze tot overmaat van ramp, zo bleek hierboven, ook nog eens gaan
verlangen naar de schilfervanger, iets dat toch hevig tegengesteld
is aan de aardse denkrichting van regelrecht naar het heerlijke pa-
radijs te gaan, hen toch voorgespiegeld als het te bereiken ultieme.
Wat een rare werkelijkheid toch dat dit alles zomaar kan gebeuren
zonder dat je er enige vat op hebt. Een seconde laten ze van de
weeromstuit de sprei onbeklampt, maar direct welt er uit het spier-
witte gezicht op het bovenaardse bed weer een extra harde slaap-
fluim waarvan zelfs Spaland opschrikt en die hem de kunstbeet
van de foto weer in het hoofd laat opkomen, een fluim ook die hem
vervolgens de gedachte aan de hand doet dat hij nu zo’n halfuur
vanwege een ooit genomen foto heeft zitten schrijven zonder ook
maar een verkwikkende stap verder gekomen te zijn dan het feit
dat er een foto bestaat waarover hij is gaan schrijven om uiteinde-
lijk tot iets zinnigs te mogen komen, maar vanwaaruit hij nu alleen
kan concluderen dat de lezer die tot hier in deze tekst gekomen is
zijn of haar tijd toch behoorlijk heeft zitten verdoen met het lezen
over treurende zieltjes en allerhande omtrekkende zaken die het
erge verdoen zo op het al te beschamende eerste gezicht beslist
niet goedmaken.

Tenzij.

Ja tenzij de zieltjes in uiterste nood van het niet meer kunnen ver-
dragen van de pijnlijke teleurstelling, dat de ruwe sprei ze zo danig
in het smartvet zet, zich in zichzelf gaan keren met de dwingende
en verlossende gedachte dat de sprei zacht en warm is. Dat het
heerschap op dat grote bed niet altoos fluimt en zij zich ha toch
nog in het paradijs kunnen wanen zoals ze die voor de overgang
naar hier op aarde zo onvoorwaardelijk voorgespiegeld hebben
gekregen. Ja dan, dan is het verdoen van de lezer niet helemaal
het beschamende verdoen geweest zoals hierboven wellicht wat
al te onverdroten en voorbarig is gesteld. Dan kan de roomboter
weer uit de kast, het kaakwerk zijn ding weer doen, al de spieren
weer gerold, de bomen weer heelalwaards groeien, het gras zo
groen weer zijn als het wil, zullen de zolen weer kunnen schui-
ven onder lucht zo blauw, kan de regen in de drup weer regen
zijn, zal heus elk beeld zichzelf via de mens weer als beeld kun-
nen voelen, zal het wiel zich weer uitgevonden weten, zal het
schuim op het bier zich weer schuim mogen wanen, de aarde
het nut weer van de aarde zich kunnen denken, zullen spieg-
els weer kunnen reflecteren wat er echt te reflecteren valt, zal
water weer zijn zoals alleen water kan zijn; water in water, of
zee, of meer, of vijver, of plas, of druppel, of gewoon wat mod-
derbende, ja dan zal de lezer zelfs de laatste woorden zonder
spijt willen lezen die hier nog wat mogen nakleuren om te…

Ja, om te wat eigenlijk?
Spaland exhibitionisme 1 en 2

Over een tuin en meer.

De katten, zoals katten plegen te doen als hun
kattenbak vervuild raakt, kwamen er niet meer.

Met volle teugen was er al gauw een broeierige
stilte gegroeid, bij regen modderig, met hier en
daar een graspol die, tegen alle realiteit van niet
overleven in, nog wat omhoog probeerde te blak-
en. Minieme groenpiekjes, overgebleven van een
vorige bewoner die het blijkbaar na een aantal
hoopvolle weken had opgegeven een fraai gras-
land hier te laten ontstaan. Een blauwspar name-
lijk, links aan de zonzijde, benam de tuin alle zon,
zo nodig tot groei van mogelijk flora.

Een nogal desolaat gebeuren aldus.

Totdat zij kwamen.

Nog geen drie weken nadat ze het huis hadden
betrokken toog de zij van het zo nieuwe woon-
paar met schep en zaad de al langdurende stil-
te van het zes-bij-zeven-meter-lapje in om daar
op een zelfs voor Nederlandse begrippen onbe-
daarlijke wijze in een tijdsbestek van nauwelijks
anderhalf uur de 42 vierkante meter van jaren-
lang door een onverschillige tuindwaler verwaar-
loosde kleigrond met stevige spasteken om te
werken tot een bijna zwarte zee vol met hoekige
brandingsgolven om direct daarna ook nog eens
het onvermijdelijk meegezeulde zaad in een om-
mezwaai van arm tussen de zonet omgewoelde
aarde te laten verdwijnen. Het voorjaar namelijk
was al heel danig te bespeuren in de paar nog in
de buurt staande bomen die opgehitst door het
plotse lentegeweld hun uitbottende knoppen on-
bedaarlijk de vrije lentelucht in waren gaan pers-
en, nogal vertellend van ha veel te komen groei
wellicht zelfs tot in de omgewerkte tuin van de zij
van het nieuwe woonstel.

Het herhaalde zich een aantal jaren, dit ritueel van
omspitten en zaaien, ook al hadden voorgaande
zomers, in een zee van zon zo deerlijk klotsend
tegen de blauwspar, bewezen dat het met de groei
van al de zaden niet echt wilde vlotten.

Wel was het een machtig gezicht ieder voorjaar de
zij, stevig gebouwd met toch zeker de kracht van
een man gezien de onvermoeibare voortvarendheid
waarmee de tuin gedaan werd, de voor haar schijn-
baar niet zo zware onderneming te zien aanvangen.
Soms gleed tijdens de inspanning de hoofddoek half
van het nauwelijks bezweette hoofd. Alleen op die mo-
menten stopte ze even met het werk aan de tuin om
de doek terug te schuiven over haar dat zich zowaar
spannender alsook zwarter toonde dan de omgespitte
kluiten.

De oogst?

Geen aardappel, ui, knoflook of ander door mij niet
thuis te brengen groengroei zag ik ooit uit de grond
getrokken. Eerder leek het of de kost, teleurgesteld
in de eigen achterblijvende groei, van zichzelf voor
een deel schaamtevol was teruggegroeid de aarde
in.

Ook waren er de waslijnen.

Wonderbaarlijk genoeg dwars over al de groente-
perkjes of wat er voor door moest gaan gespannen,
zodat de zij van het woonstel het door haar karige
maar toch noest voortgebrachte groenteresultaat
met de eigen voeten onvoorwaardelijk wasophang-
end tot moesspul wel moest vertrappen op den
duur ook al werden in het begin van hun groei de
gewassen door haar voeten nauwlettend gemeden.

De hij van het stel, overigens, was zelden in de tuin,
zelfs niet om de waslijnen mogelijk naast het moes-
tuintje te hangen. Wel waren er ontmoettingen, vaak
bij de voordeur tegenovergesteld aan zonarme de
tuin. In vlot Nederlands kwam er dan een begroeting
van al dan niet lekker weer hé buurman uit om direct
te eindigen met een fijne dag nog verder hé buurman.
De hij leek geboren in Nederland gezien het onvervals-
te Rotterdams dat bij iedere begroeting zonder moeite
uit zijn mond rolde. In tegenstelling tot de zij van het
woonpaar. Uiterst moeizaam kon ze wat woordjes in
het Nederlands van haar man maar uiten.

Ze bleef het doen, dat omspitten.

Iedere lente opnieuw begon ze er aan om in de
loop van de zomer het lapje te laten voor wat het
was; een door haarzelf platgetrapt stuk kleigrond
waarboven de waslijnen bungelden die altijd wel
wat aan was te dragen hadden. Want ja, ook dat
deed ze onvoorwaardelijk, wit en ander goed was-
sen dat iedere dag ter droog buiten gehangen dien-
de te worden. Een handeling overigens die nog
toenam toen er kinderen kwamen. Twee om pre-
cies te zijn, eerst een meisje daarna een jongen.
Met verjaardagen, te zien aan een paar gekleurde
balonnen aan de voordeur, werd er, bovenbuur toch
zeker, altijd wel een kaartje voor het jarige kind in de
brievenbus gestopt.

Lekker weer hè buurman en een fijne dag nog verder
hè buurman.

Ook later.

Lekker weer hè buurman en een fijne dag nog verder
hè buurman.

Nooit meer dan dat.

Op een dag (de tuin lang al almaar minder en minder
‘bebouwd’. Op de door de zij van het woonpaar plat-
getrapte lemen aarde lagen inmiddels al tijden allerlei
kinderspeeldingen verspreid onder de lijnen waaraan
wapperende lakens, kleren en soms een ook bezeep-
sopt vloerkleed) bleken ze verdwenen.

Verhuisd!

Lekker weer hè buurman en een fijne dag nog verder
hè buurman.

Tot nooit meer dan dat kwamen we.

Na een tijdje waren de katten terug in de tuin.

zaterdag 8 december 2012

Even een net iets andere kijk op…


SAGE burkhaar 2008

want:

Goh-festijn


(of ook wel: zee o zee waar zit je mee)


een reus een dwerg een gevoelige voet
in iedere hoek

zichtblind binnen kassen
een ruimte
waar web veel stof krimpt

lamplicht achter klamgordijn

schoorstenen op daken
ook om het zaad
met een kransje voor beknopte toegang tot het schijnstation

onder de zool knakt het riool geuren
een vinger prikt rond
wil de ruimte bedrijven
ploft in het land van afgebeelde hemel
waar modellen ter dupe staan


van de verlangde lange Lindelaan
opgevoerd tot aan de plastic vijver
al het spiegelwater dik van eenden


(op foto 50% van duo SAGE)

Spalandexhibitionisme 2, of ook wel hotmail ten dienste van de kleine wondernemer

P8042867

Tot op het beschamende af (al dat navelgedoe!!) probeert uw Spaland
hier en publiek ‘n broodnodige nieuwe identiteit als standaardverkoper
uit om toch vooral maar weer eens wat meer zin aan het eigen zo lege
buikgatleven te geven, want twaalf ambachten en dertien ongelukken
en nog steeds wil het hem niet vlotten met die in ieders mond dobber-
ende zin van het leven die per se aan het leven gekleefd dient opdat er
kabbelend vooral alsook volmondig tot aan ‘t ultieme zesplankperspec-
tief gekomen zal worden zonder de voorwaar toch foeilelijke voortijdse
zelfmoordafbreking te laten geschieden die ook de niet te benijden na-
levers van zo’n eigendoder zo onbedaarlijk kan doen belasten naar al
te zwaar weer.

(een belasting overigens, die de nalevers vreemd genoeg wel weer zo-
veel zin aan ‘t leven geeft dat er waarlijk tegen alle wil en dank sprake
kan gaan zijn van een door zo’n vroegtijdige dood toenemend teveel
aan beleefzin in die na zulk een doodbreuk gegeven zin aan het leven
met wellicht onvermijdelijk gevolg een verlangen naar de dood in het
vizier te kweken waarop dan mogelijk de al door de ander zo beproefde
zelfdoding volgt met als gevolg dáárvan weer dat er nog meer nalevers
zullen ontstaan met al de leefzin groeiend in het lijf tot aan… en die op
hun beurt weer… en…)

Voortgang


maar trek wel je jas aan want binnen is het koud

meedoen

natuurlijk een zij of een hij
en voor lang en voor eeuwig en…
de eerste roofbouw was nog een hele verrassing


hier ben ik!

wat een schone tekst nu weer

even geen drama van de gewone mens a.u.b.
ook even helemaal geen overdracht van angst


koffiepunten

wat fleur dralen aan een schoteltje om gezelligheid
onder tonen van radio vier’s zomeravondconcerten


meer details?

nu ja wegens opbloeien
even extra open
de dood onder de groene zoden gestopt


een sterk thrillerdebuut van stavast zelfs wil er zijn
een indicatie tot
zuinig doen met muizen in niet uitgepakte verhuisdozen


de kat op het spek anders

zaterdag 1 december 2012

een hoopje druppel (column)

het weerbericht van vandaag een gegeven
warm / koud
grondneuzen strak vooruit

internetje oké

maar de ballen moeten op straat
Kortjakje is een trut
de dag vannacht betreurd naar betaalbare huur- of hoopwoning

leiding voor water gezocht want boot voor de deur

en ieder gewoon zijn eigen Jezus Christus
bakje pindasaus
en moskeeteltje om de warmte erin te houden

hij die kleur geeft aan het interieur
zal muizen verdelgen want dier beproeven kek
en een last minute vacantreisje lost de reukjes wollig op

de duim doordacht richting zuigen

om bovenverdieping vol piepklein plannetje aan sleutelbos
over oude belegen kaas hier even geen enkel woord meer

broodje shoarma
broodje kebab
broodje vreugdepil

niet dol op tuttig imago van stamppot boerenkool
fluiten we ‘t deuntje kielzog naar snoeiharde lente

gewoon meer vlees eten
ook wat meer nog rijzen
een loszittend kwabje veroorzaakt heus geen roet in de hand

veel zou het helpen

en over muizen natuurlijk niets dan goed
voor een breed pakket met afwisseling:

rente

zeven dagen met ‘n pronte bom
kom daar vroeger maar eens om

democratie
demooicratie
demoncratie?

heus, ons Kortjakje nooit weerom

woensdag 28 november 2012

Knngndg!

Zit ik hier gisteren zo op het eind van april
(m’n slaap reeds vroeg en dazend dagvrolijk
in de aura gelazerd) de vele bellenblaaspuf-
jes van de nacht te verbijzonderen naar ‘n
liefkoosdoekje heel wel zonder sleurangst,
hoor ik net buiten het raam van mijn droom-
sleephokje een kraken alsof de gevel er plots
de brui aan wil gaan geven. Of de pui me ver-
domme wil vertellen dat de komende dag niet
meer in alle vrolijkheid zal gaan ontstaan aan
haar fundamentvoeten. En dit dan gokwellicht
omdat de betonnen fundo’s onder aan de gevel
al zo’n 90 jaar de-wereld-voorbij-kabbelen aan
het huidje hebben hangen zodat het somber
dragen van de gevel nog de enige echte streef-
vervulling kan zijn die deze fundamentele basis
wil opbrengen. Nu ja en althans, zo wil mijn
vraagtekengedachte graag zijn, opgeroepen bij
dat zo plotse kraken naast het navelstrenge
raamgat van mijn droomvallige schrijfkamertje.

Of, anders gepiept: wat een mens al niet aan
verklaringen zoekt voor plotse gebeurtenissen.

Want zo met deze gedachte door mijn plaats-
elijke kleinwereld rondrekenend om de boel
vooral ordelijk alsook grijpbaar te houden zakt
er ineens een weldanig kleurige lap tussen de
raamcontouren van mijn lieflijke droomraap-
hok (een raaphok mij meestal veel ruimte
gevend voor het afschudden van het fysieke
leven waaraan zoveel te werkelijkheid kleeft).

Een nauwelijks nog aanwezige wind laat de zo
te plotse kleurenlap zachtjes heen en weer be-
wegen met de bedoeling, zoals al een beetje
gezegd, ook mij, net als de gevel, eraan te
herinneren dat het deze dag niet zomaar ge-
geven is een alledaagse dag te worden. Erger
nog, dat dit waarschijnlijk dé dag zal willen zijn
om weer eens heerlijk tot je te laten doordring-
en dat we in het nog altijd braafste land van de
wereld wonen ook al is de politieke meute te
Den Haag de laatste tijd wat lachwekkend ner-
veus doende te kluchtsappelen in ons (zo door
‘terreur’ geplaagde?) laaglandwereldje. Een
sappelen overigens, veilig dicht in de buurt van
de zo poezelige voetjes van het hoogmens
waarvoor dat lapje nu half voor mijn wereldkijk-
gat hangt te deinen in voornoemde, nauwelijks
aanwezige wind. Een deinen ook, direct aan-
gevangen nadat mijn alleen-staan-buur-vrouw-
met-kind het raam opende om de windvaan op
de bruigevel te plaatsen ter uitbundige viering
van het almaar zo fijn voortgaande kluchtleven
hierboven al enigszins in bescheiden woorden
beschreven met als heel hoogtepunt: draadje,
koekje, hap hap hap hap.

Werkelijk als een verbluffend braafsymbool, dat
lapje, zo treursiebelend aan een rond, lang, dun,
wit stokhoutlichaam.

Welnu, u is bedankt bedenkelijke buurvrouw, want
zo gaan de éénkleurige lakens me even later voor
zeker weer ontvangen met open doekpunten opdat
ik deze dag niet hoef leeg te drinken in een mij te
vreemde opgelegde vrolijkheid vol van een zoek-
happen van mijn leven, met daarbij als extra extra
daabsoluut hoogtepunt:

Maxima lekker volksgeil aan de virtuele koekhap!

O heerlijk eiland.

Te kijk en van zonsopgang tot op elk heden te be-
zoeken.

En toch, en toch… Leve Maxi… Eh… Trix!


April 2006

Gratis

Ja natuurlijk gaan we’ Vriendin S.

‘Maar…’ Ik.

‘Wat maakt het uit?’ Vriendin S.

‘Een beetje sjunant? Ik.

‘We zullen heus niet alleen zijn’ Vriendin S.

En inderdaad, op het perron in Schiedam al zagen we er een paar
tussen vingers geklemd hangen; aan de ene kant twee cosmetisch
lachende gezichten van kinderen die proberen te lijken op volwassen
mensen of vice versa, aan de andere kant een wat meewarig kijkend
gezicht, de laatste weken zoveel op onze kijkmachine te zien geweest
dat het voor altijd in het beeldscherm gebrand lijkt, zelfs door de doek,
door ons aldoor naarstig eroverheen gesmeten na grage uitschakeling
van het toestel als dat grrrzicht weer eens…, blijft het heen schemeren
als is het een gebakje voor onze strotwereld waar het met dringend glij-
geweld doorheen geprakt moet zo is onze te gevoelservaring de laatste
week. En ook: “Een dag lang gratis reizen met De grote wereld” Zo staat
er op de boekenlegger die geklemd zit tussen de kaft van het nu tot
spoorkaartje gedegradeerde boekje geschreven door het voorlopig echt
niet meer uitwisbare tv-gezicht. En heus, op de heen- en terugreis heb-
ben we onze wat groot uitgevallen bundelkaartjes laten afstempelen:

“De grote wereld” gesigneerd door de NS!

Uniek wellicht? Nu ja, voor de echt fanatieke verzamelaar is in ieder geval
mijn exemplaar geheel ongelezen te bekomen middels een door die ver-
zamelaar voor mij aangekocht jaarabonnement waarmee ik kan sporen
door het land van ingebrande tv- kopjes waar ‘t ijdelgeil zo beklijflijk vanaf
druipt.

Heerlijk toch, dat hemelse leven van een lezer.

Overigens zijn we deze gratisreisdag naar het van Abbemuseum in Eind-
hoven getreind alwaar we, werkelijk je durft het in fictie heel niet te ver-
zinnen, een paar van die hierboven genoemde bundelse kleinmensen
zagen rondlopen. En ik heb het geprobeerd! Verwacht braafkes op mijn
knieën ben ik voor wat zwart-wit lino’s van Stijn Peters gaan zitten die op
de wand van een gang waren gespietst. Vage zwarte vlekken met hier en
daar wat wit, meer kon ik er vanuit die positie echt niet van maken.

Op de terugweg, na ‘n tweede signeersessie van een ook nu weer man-
van-de-wereld-conducteur, zagen we door het treinraam op het perron van
het station in Tilburg opnieuw dat te ingebrande schrijfhoofd. Nu op een
billboard, waarrond de welige krullen van dat hoofd in vette witte letters
bijzinnelijk werd meegedeeld dat ook de hierdanige plaatselijke krant hem
geheel en vooral gratis weggaf.

De boekenweek duurt nog een hele halve week.


Maart 2006

Zomaar

Genie = ge nie

Zo schreef ik al eens.

Het is net als met die hoogbegaafde kinderen op
gewone scholen waarvoor bij hun medescholier-
tjes geldt:

GE NIE!

Kijk ik even naar buiten, zie ik een ander genie.
Een wat ouder genie al. Zo een met een oog-
vergallende extra glimhuid heerlijk strak om
het kreukellandschap van het eigen reeds te
afkalvende leeflaken gespannen waarmee kra-
kend en knerpend (het is zelfs door de dichte
ramen van mijn toetshokje wil-duidelijk hoor-
baar) een stevige poging wordt ondernomen
het al genoemde kreukellandschap op de niet
meer zo jonge soepelhuid een moment de illu-
sie te geven het erge oudgroeien heus nog wel
ferm te kunnen tegengaan middels het buiten-
sporig de ledematen aan te sporen door ze de
sporen te geven. Ledematen, overigens, die dat
spoorgedoe natuurlijk lang al niet meer kunnen
verdragen daar de lieflijke dood in zijn hoedanig-
heid van grijs en craquelé-oprispingen onder de
reeds beschreven kunstmatige glimhuid al danig
de overwinning aan zijn kant weet te scharen bij
steeds meer tijd en wijle zodat het hele gebeuren
iets van een treurlekkend staaltje onverwoestbare
jeugdklamp doet vermoeden in het al genoemde
glimpak met ingebouwde snelheidsdroom. Een
krampachtige wegfutseling dus van de lang al
verdwenen kraakbeensoepelheid waarbij onbe-
doeld eigenwijs de buitenspoorbeweging eerder
een wat al te krakkemikkige niet-beweging uit-
straalt die dan ook de zo hevige wilbeweging naar
dé verjongingskuur volledig teniet doet of in ieder
geval lachwekkend maakt. Een niet-beweging ook
die de snelle glim van het pak totaal laat verbleken
en het al genoemde grijs mét ongewild tonsuur op
de nok van het ogenschijnlijke machokarkas nog
eens extra laat opbloeien in de helse schaduw van
de altijd en eeuwig grazende knekelverzamelaar zo-
dat een ineensmelten met de vleesgeworden kne-
kelreclame al wel heel duidelijk zeer snel aanstaan-
de lijkt ondanks het bewegende niet-bewegen in te
modern renglimpak met onverwoestbare jeugdsug-
gestie en alle geloof nog in eeuwig.

Het grote aangrijpen, daar gaat het wellicht om?

Of:

De ogen in ‘t buitense knikkeren geeft vaak veel fijn.

dinsdag 27 november 2012

De, mijn, wereld

Onder; suikerfeest.
Rechts; sinterklaasdingen.
Links; kerstverlichting.
Boven; Goden in te krappe schoenen.
Voor; schepen, onverschillig het water beroerend.

Een protsmoderne ruimte?

In ieder geval de ruimte waarin ik me mag bewegen
met een lichtje om te zoeken naar plekken rondom
mij die nog niet zijn ingevuld. Tevergeefs! Nog geen
kleine maand geleden kringelden er door mijn vloer
nachtelijke etensgeuren naar boven als gevolg van
het dagelijkse vasten van braaf gelovende Turkse
buurtjes. Daarna de vrolijke maar wel welluidende
de klanken van een suikerfeest, van dezelfde Turk-
se buurtjes. En nu gebeurt er rechts van mij ietwat
geloofsinterklazerigs in de vorm van zojuist, door
twee aan pensioen gerelateerde dames, aan de ge-
vel opgehangen vlagstokken. Stokken waaraan de
boze maar in tweede instantie veelbelovende zak
gehangen is waarmee dat zo hevig bekende kleur-
Pietje meestal loopt te zeulen in een verplichte tijd
van kinderKRAMP tot kinderBLIJ. Echter, kleinkind-
eren heb ik nooit gezien bij de dames! Maar beiden
houden lekker stugjes vol. Zoals ook meneer Molen-
tje (zo genoemd omdat ie aan het begin van het af-
gelopen jaar de lente aankondigende tulpenboom in
z'n tuin heeft omgehakt ter plaatsing van zo'n ieder-
een-weet-heus-wel MOLENTJE) jaarlijks én tegelijk
met de pensioendames, in volle geloof van mooi, de
voorgevel van zijn huis begint op te smukken met
een aantal verlichtingsarmaturen die de hele straat
in een een hels frommellicht frommelen. Het soort
licht zeg maar waarbij zelfs de reguliere straatver-
lichting Frisch und ook wel Frölich volkomen over-
bodig wordt. 's Nachts kan men lezen zonder ook
maar het kleinste lampje in de kamer aan te hoe-
ven doen. En ook op de schepen die vlak voor de
huizen in het donker over de Maas sjoemelen schrikt
men op van het plotse, zo zichtbare water rondom de
eigen vaarmachines.

Feest alom dus!

Feest van moetende feestjes! Helemáál nu de zelf-
gebakken Goden met die tegenwoordig zo te krappe
schoenen zo nodig gunstig willen worden gestemd door
middel van een regen aan aanslag bommen, granaten
en ander beukspul ter opleuking van Hun dun gelakt ge-
moed.

Een gezellie suikerig sinterkerstfeest, zou dat niet wat...
Doen we dat hele bupsje in een keer en zijn we er in een
dagje of twee vanaf om daarna behoorlijk niet uitgeblust
nog even het nieuwe jaartje aan te slurpen met noodkuur-
water zodat de eventueel dan toch nog nodige bommen-
plons op dag twee van het nieuwe jaarke weer gewoon
zijn opleukende aanvang kan nemen zonder dat we direct
al te zwaar naar ter nedergeslagen zullen moeten groeien.

Een oplossing wellicht?

Ook zou er ter demping van de wereldse bommenplons
ieder jaar een pretstrijdje georganiseerd kunnen worden
tussen hele hoge hoogste bazen van de zich nu zo mani-
festerende reli-instituutjes. Een serieus pretstrijdje door
bijvoorbeeld iedere hoge hoogste een koddige maquette
van het tegenstanderspunthuisje in brand te laten steken
waarna degene wiens punthuisje het langst brand het ko-
mende jaar op een bepaalde en beperkte plaats (in een
oud, lief sleurbootje op een door Zoon belopen zee of zo)
z'n geinige reli-relletjes mag houden tot ie hopla reliheli-
heil effe niet meer rellen kan. De verliezers mogen zich
uiteraard datzelfde jaartje bommenloos relizoet houden.

Lijkt mij alleszins redelijk.

Of beter nog, daar kan en wil ik heelwel wel in geloven.

Schiedam en de stadsdichter: &$%^&*^$#&^* (column)

Vlaardingen heeft Kees Alderliesten.
Rotterdam heeft eh… Nu ja, in ieder geval Jules Deelder.
Groningen heeft er ook een.
Antwerpen heeft er een.
Nijmegen.
Dordrecht.
Deventer.
Arnhem bijna
Assen nog meer bijna.

Schiedam niet.

Werkelijk, geen was en is er te bekennen.

Gewoon nooit aan gedacht?

De scholing schiet hier tekort?

Schiedam niet poëtisch genoeg om er dichtjes op los te laten?

Geen dichters wellicht?

Of kan er een andere reden zijn?

Niet om ‘t een of och och ander maar toevallig kwam mij dit ter ore:
Schiedam krijgt geen stadsdichter want afdeling cultuur wil er geen;
punt. Afdeling cultuur namelijk wil zoals mij verder in ‘t oor werd ge-
fluisterd in geen geval Vlaardingen na-apen zo heet het prangende
argument erachter, de c-afdeling wil in de stad Schiedam puh ge-
woon wat anders en zeker geen stads-dichterlijk-gedoe naar Vlaar-
dings model.

Nee werkelijk, Schiedam c moet geen haringkopideeën.

Schiedam en daarin de c-afdeling wil heel zelf de ideetjes verzinnen
voor deze, hun, stad. Schiedam behoeft #$^&^&^%$ nur een door
afdeling c aangedragen cultuur. Ja en welzeker, een echte alleenhun-
cultuur. En heel geen millimeter daarbuiten. ‘t Is getver en al niet aan
de orde!, want dat wat ze zelf niet hebben bedacht daar komt dus effe
helemaal geen donder van in.

Cultuur zal moetend komen van de c-afdeling, sloes!

Wat er daarbuiten allemaal aan eventueel spannends gebeurt, het stokt
voor de muren van de c-afdeling, het stokt tegen de wilgrenzen van hun
zo heerlijke eigen cultuurmogelijkheden, het knalt zoals gezegd steevast
tegen de dikke deur van de alleenhuncultuur. Zo wordt in S bijvoorbeeld
al twee jaar achter elkaar de maand mei als poëziemaand uitgeroepen;
hangt de stad vol poëzie. Maar de c-girlboys willen het vanuit de eigen
cultuurswung wellicht niet eens in de gaten hebben. En zo ook nu dus
het stadsdichterschap, het valt pompom pompom al net zoveel buiten
hun gezellige zelfkneedcultuurtje als de hierboven genoemde “Meimaand
poëziemaand”, een maand wel even, laat dat vooral gezegd zijn, geheel
en al zonder financiële ondersteuning van afdeling c tot stand gekomen.
Beter nog, het geheel werd en wordt in financieel opzicht gedragen door
de winkelliers van de stad, zij zorgden er voor (goed goed en toegegeven,
ook uit eigenbelang) dat er veel poëzie (en kunst) in deze stad mogelijk
werd.

Een stadsdichter zou hier heel wel aardig inpassen.
Zo is de mening van een aantal mensen in de stad.

Zeker daar waar we in Schiedam sinds een half jaar het eerste Poëzieplein
van Nederland hebben. Overigens, een initiatief ook al buiten de medewer-
king van de c-girlsboys om tot stand gekomen: een aantal enthousiaste
mensen namelijk heeft er voor gezorgd (toegegeven, materieel gespon-
sord door ONS, maar voor de duidelijkheid dat is GEEN afdeling cultuur)
dat genoemd plein er kwam met de bedoeling daar regelmatig poëzievoor-
drachten te laten houden opdat hun stad, waar toch dichter Piet Paaltjens
lange tijd (ook als dominee) heeft gespeeld met woorden, weer eens wat
vaker met klinkende poëzie in aanraking zou komen. En ook natuurlijk het
feit dat er tegenwoordig een nogal danige poëzie-hype aan het ontstaan is
in het land (zie de explosieve groei van officieel benoemde stadsdichters
hierboven al aangeduid) heeft er toe bijgedragen dit idee te laten opkomen.

Edoch, de c-girlsboys beslisten anders!
Vooral geen stadsdichter in Schiedam!

F. Haverschmidt (P.P.) zou wellicht in zijn hemelse graf de eigen grimlach-
bundel in stukken hebben gescheurd had hij deze zo zelfzuchtige beslissing
mogen meebeleven. Hij, als beroemdheid, zou er in een van zijn grimmige
gedichtjes waarschijnlijk, zo niet zeker, met een grimlachje voor hebben ge-
pleit een poëet tot stadsdichter te benoemen had deez titel van stadsdichter
toen bestaan.

P.P. echter is al heel lang dood.

En eh eh… Zo ook Schiedam?

Werner Spaland

Ps: En ook nog, voor alle extra duidelijkheid, moi geen stadsdichter hé. ‘k Zou
buiten het hieronder weergegeven fragment van een reeds langgeleden al ge-
schreven niemendalletje

O mijn Schiedam,


Jij plaatsje met je vele waters
Alsook je goud op flessensnee
Wellicht herberg je vele haters
Wellicht ook speel je katje weltevree

Toch blijf jij…
et cetera enz. enz.

werkelijk niet weten wat verder te dichten over dit door het c-clubje ‘gegijzelde’ plaatsje.
10 november 2005


15 ReactiesBewerken

Rotary club strooit humanitaartjes rond

Stadsblad:

Groot Schiedams Dictee


Schiedam – Rotary Club Schiedam lanceert
het Groot Schiedams Dictee. Evenals vorig
jaar wordt geprobeerd zoveel mogelijk deel-
nemers en sponsors te werven om langs die
weg een zo hoog mogelijk bedrag bij elkaar
te brengen. Dat bedrag wordt, net als vorig
jaar, weer geïnvesteerd in kerstpakketten
voor Schiedammers die al te lang op of net
onder het sociaal minimum moeten leven.
Het dictee wordt begeleid door een website

waarop in principe alle informatie over het
dictee is opgenomen.

Of ook wel:

De armen zullen potver weer eens even weten dat ze arm zijn!

Help!

En ik ben ook Schiedammer en ik rijd hellegaar niet in een Rolls
Royce rond, mag ik nu ook deurkierlijk bang zijn voor zo’n on-
gevraagde privéruïnatie middels zo’n humanitaartig kerstpakketje
van de R – Club?

En wat als je als bestempelde arme weigert het RC-humanitaartje
te aanvaarden?

Een flinke sociale devaluatie? Een asoprint op je deur? Verbanning?
Schandstaan op het prestigieuze stadskantoorplein? De burgermees-
ter met een vermaanvingertje op de stoep? Of gewoon maar weer
die eeuwige bestraffende korting op de uitkering?

Nu ja, arm zijn, het valt in deez tijd gewoon effe niet mee.

Pestafette intervieuw

(Of een riedeltje op de Contrabas)
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Wie?
:Arie Bav

Wat?
: Dichter

Waar?
: Op papier!

Bundels?
: Geen, gelukkig.

1 Hoe zou u zichzelf willen omschrijven in een gedicht?

Als het met een gedicht moet dan:

Mens ter klater


in vermetelheid
onder zuivere lucht
verijst ‘t

toch geheven hoofd
zichtbaar
geinig licht in de luchtsluis

waar
het vuur wordt getekend
bloed

wit

naar lijfbleke streelgebieden
waarin een meisje te glimlacht

2 Waarom schrijf je, en dan ook nog gedichten?

Ik vind uiteraard dat de wereld op mij zit te wachten. En poezie? Omdat het nu eenmaal een gegeven is dat een versje wat minder energie vergt dan een roman, want ik wil er beslist niet teveel tijd instoppen en u is toch zeker wel bekend met het feit dat met de opbrengst van een bundel je nauwelijks één keer fatsoenlijk in een te hoog gegroeid restaurant kan eten. Minimale tijdsinzet voor een minimale opbrengst, lijkt mij alleszins redelijk. Zie hier de keuze voor poëzie.

3 Welke dichters zou u niet in uw p-wereld willen toelaten. Het waarom en op welke wijze zij uw eigen werk dus niet beïnvloeden zou u daarover ook wat kunnen zeggen?

Dichters die poëzie schrijven om de meiskes. Nee, ik noem geen namen, welk een nut heeft dat meer dan het veroorzaken van een goedkope rel? Al die teutebelliedjes van krenk krak en plak, je zou er graag verliefd van willen worden op een varken of wat. U mag heel eventueel begrijpen dat het mijzelf omschrijvende gedichtje hierboven dan ook botert van de ironie. Het waarom van het niet beïnvloeden is hiermee voldoende aangegeven wil ik hopen.

4 Welk gedicht van u of van een ander zou u niet in de een bloemlezing willen laten opnemen?

Dit gedicht van E Broos:

Landschap


tenzij de nog bijna kinderschoenen
de linden aanwijzen
stopt zij kind te zijn

dodelijk onnozel
zestienduizend groene villa’s

blikken later
bijgekomen
spuit zij de titel: heroïnehoer

Omdat u niet vraagt naar het waarom laat ik het hierbij al zou er genoeg over dit schijnbaar imponerende broddelwerkje te zeggen zijn; alleen al aan het overdreven drama erin zou een viltstift van hoge kwaliteit leeggeschreven kunnen worden, maar zoals gezegd…

5 Welke dichter zou u na u willen uitnodigen tot een interview?

E Broos natuurlijk!
(Oktober 2005)

Van en over...

Weekstaatje

Zondag: weer
Maandag: wolk
Dinsdag: net even niet
Woensdag: regen
Donderdag: wel neig naar
Vrijdag: opklaring
Zaterdag: parasol zon paraplu?

Uiteraard hierbij de niet-poëtische maar wellicht nodige
aantekening dat een eventueel te maken opmerking van
“het gaat je als dichter in dertien woorden heel goed slecht
af” niet bepaald van dé diepgang getuigt die het eigenlijk
wel zou moeten hebben gezien de afwisseling waarmee
het totale van de week zo volledig tot uiterste uitdrukking
wil worden gebracht in dit zo summiere lied van precies
dertien betekenisgevende woorden achter de dubbele
punten waarmee de weekdagen willen zijn weergegeven.
Want dat goede afgaan zit natuurlijk reeds in het feit van
het dertiental besloten gegeven het ook nog eens gegeven
extra feit dat dertien een ongeluksgetal is te zijn ooit door
een erge kruis-nat-kijker verzonnen om toch vooral de zon
verre van zich te houden omdat het genieten van de stralen
die natkijker niet gegeven was waarschijnlijk, waaruit dan
weer kan worden geconcludeerd dat woorden opgeklotst in
en door willekeurig welk een iemand met zulk een nederkijk
werkelijk zodanig bepalend kunnen worden dat de wereld
bevlekt raakt met onbedoelde zwarte plekken die de regen
een dusdanige kleur van somber beleven geven dat geniet-
en wegblijft daar waar het ook wel eens tot een geluk had
kunnen zijn dat er regen valt zo nu en dan op het land en
vooral ook in de poëzie.

Neem nu een vers als dit:

Testbeeldig


ofwel van


ogen en oren schrapend
langs getoonde straten
rupsen draken moeders vaders


te zien


gemeengoed

veranderlijk als het weer gaan ze
elkaar soms toch met lolly’s te lijf

ook als het regent


zijn er weinig mensen
in de stad te vinden
die het hoofd buiten hun raam steken


het lesmateriaal pal voor de deur


verhalen te rapen
uit trottoirs
gevels van stadspaleizen of


zomaar aangemeerde zomers


Een vers waarin dus het woord regen voorkomt op een
manier die nogal op kantelen staat naar zowel hé ver-
dorie (het hoofd niet buiten hun raam) alsook naar ha
lekker (want elkaar heerlijk met lolly’s te lijf) zodat de
regen iets krijgt van moet er nog wel neergedrensd word-
en in een gedicht als dit waarin al zoveel droge nattigheid
tussen de regels voorkomt waardoor de betekenis (zo
dubbel al) nog eens verdubbeld wordt door die expliciet
benoemde staat van regen. Hier kan men dus, om het
zo maar eens te zeggen, van geluk spreken dat de regen
zó dubbelop een gegeven is dat het zich als vanzelf op-
heft in zichzelf zodat de zomaar aangemeerde zomers
een heel belangrijke rol kunnen gaan spelen in dit nogal
van regen vergeven gedicht.

Nu ja, tot zover de regendompel.

Verder met bovenstaand weekstaatje:
Is het u ooit opgevallen dat al de weken
van z(ondag) naar z(aterdag) lopen?

Dus van zzzz naar zzzz eigenlijk?

En ook:

Net een klapstoeltje niet, die z. Drukt men denkbeeldig op het
bovenste ztreepje wil het zeteltje logikaal gesproken terug-
klappen naar _ (min) als was het plots in een zeer strenge winter,
in de zomer daarentegen klapt het wellicht weer open, logikaal
ook hier, want hoe dicht staat de z dan niet bij de o van de zon,
waarmee maar wil gezegd dat ook de op het eerste gezicht zon-
der woorden leeg lijkende letters de wereld danig in zich tergen.
Zie dit gedicht bij voorbeeld:

Samenvatting

(het ultieme gedicht)
 
a
bcd
efg

hij

klm
nop


qrs
tuv
wxy


z


Waarbij het al met al, zo eindigend bij de z van het klapstoeltje,
deugdelijk is te veronderstellen dat het zeker nog helemaal niet
duidelijk is of de letters in woorden nu afhankelijk zijn van onze
invulling of…

En zie het woord dood, twee keer de o van de zon in zich dragend.

Hoe dat nu te verklaren?

De zon dubbelop heft ook hier zichzelf op wellicht?

Weekeind


Schrijf je het zo: week eind, is het net of de
rest van de week ook al niet al te best was.

Maar weekeindvrij en dus naar buiten.

Mijn hondje genaamd ‘Hondje’ is slank als een uit-
geputte veer, want al oud, maar ‘t rent nog altijd
achter een door mij gegooide bal aan de zee in zo
vaak als ik wil. Dat is het mooie aan dieren, ze zijn
bij hun geboorte al helemaal klaar en veranderen
nooit meer daarna. Dan wij, de ploeterende zoeke-
laars die maar de alomtegenwoordige verlegende
leegte willen volmensplempen met onze doltalige
zeursteunstellingen die niets anders doen dan wat
rimpels veroorzaken op de eigen huid. Dat de we-
reld van cursussen aan elkaar hangt is dan ook niet
geheel onlogisch wat mij betreft, want wie cursust
hoort er helemaal bij. Cursusje hier cursusje daar.
‘t Klinkt als het vroegere reclamespotje Sorbo hier
Sorbo… Cur-susje, vooral dat laatste susdeeltje van
die tussendoorlesjes spreekt boekdelen, dunkt me.
En dan de uitdrukking: manuele kunst; het had zulk
een mooi eufemisme kunnen zijn voor het werk dat
de armbeiders mogen/moeten doen, want weliswaar
geen groei in loon dan toch in aanzien. Eufemisme,
‘t lijkt verdomd een beetje op feminisme, dat woord.

O hoe heerlijk liederlijk toch is die taal, ‘t is net
een dame van lichte zeden die speelt geen lichte-
kooi te zijn maar zich ondertussen stevig laat ver-
talen naar willekeurig welke laailichtende kooi.

Ik mag dat wel, dat ietwat perverse!

Eigenlijk gaan schrijvers iedere keer als ze schrijven
zichzelf onteigenend een beetje naar de hoeren mag
hier in dit kleintalige essay wel even grofweg worden
geconcludeerd ook al blijft het een conclusie in en be-
staande uit diezelfde taal.