Posts tonen met het label IMPROMPTU. Alle posts tonen
Posts tonen met het label IMPROMPTU. Alle posts tonen

woensdag 12 december 2012

Een dakraam een viool en wat verder nog te berde komt.

Van de vijfde trede hup naar de grond. Een heus stevige storting.
Zij wilde dat. ‘t Bewijs van toch wel wat in zijn mars. Want neer-
storten, zo zei ze, is een teken van durven bestaan, zeker als
het vrijwillig gebeurd. Het laat namelijk zien dat stijging dan wel
belangrijk is, maar dat het je niet overrompelt als je uiteindelijk
de moed hebt neer te gaan.

Natuurlijk had hij bevestigend geknikt en even later onderaan de
huishoudtrap gelegen in een houding als was hij tijdens de vlucht
naar beneden in een vorm van een vraagteken geperst om zo op
de vloer terecht te komen, had daarbij gedacht, niet uit zijn kader
te krijgen, na dalen is er het stijgen en hij was overeind gekomen.

De poging tot een kus deed hij nadat ze hem de opdracht gaf de
trap terug in de schuur te zetten. En ja zeker voelde hij zijn rech-
terbeen. Vijf treden, het is niet niks als bewijs. Gelukkig was het
zondag en had hij geen al te zware inspanningen hoeven verrich-
ten. De kus? Gezoefd was ie langs haar weggedraaide hoofd, niet
op de plaats van bestemming gekomen.

O, gestruikeld.

Dat was maandag.

Tegen zijn collega’s.

Dinsdag was het al zo gewoon dat niemand er het nog over had.

Zeventien jaar al en nog altijd geen greintje wilde hij van haar af.
Wat concessies had hij mogen doen. Maar geen idee kabbelde er
in hem nog over hoeveel hij van zichzelf had moeten verwijderen
voor haar. Niet erg, een verdomd fijn lijf namelijk waarin ze woon-
de. Bovendien wist ze zijn verlangens hevig te houden door hem
hooguit een keer per maand toestemming te geven in haar buurt
te komen. Dan was hem vergund wel vijf minuten aan haar kruis
te ruiken. Haar broekje nog aan!

Vijf minuten. Hij moest daarbij zelf op de toebedeelde tijd letten.
Hield hij zich er precies aan mocht hij zich daarna in de slaapkamer
aftrekken terwijl zij van een afstandje naar hem keek zonder hem
aan te raken. Bij overschrijding van de vijf minuten met ook maar
een halve seconde kon hij het op zijn minst twee volle maanden
vergeten, dat ruiken. Het onaneren ging gewoon door als was het
een absolute noodzaak voor hun huwelijk.

Frigide was ze niet.

In feite liet ze zich nogal makkelijk neuken.

Alleen niet door hem.

En in ‘t achttiende jaar van hun huwelijk ging ze zonder noemens-
waardige complicaties dood.

Hij bleef.

Alsook het verlangen naar de vijf minuten. Een mens is te intelli-
gent om plant te zijn, toch leven de meeste mensen als planten.
Nauwelijks een jongetje van twaalf jaar had hij met deze gedach-
te indruk gemaakt op zichzelf. Het stond sindsdien buiten kijf dat
hij al dat plantgedoe aan zich voorbij zou laten gaan. Dat het in
ieder geval bijzonder moest worden dat aanstormende gedoe van
zijn bestaan; was je maar slim genoeg om het beste stukje te be-
klauwen moest het niet meer dan een zuchtje kosten om de grijp
in ‘t bijzondere te laten ontbloeien. Twaalf jaar was hij geweest en
ook net doende waren ze een flink aantal bekende spreuken te
behandelen in de klas.

Vijf minuten!

Minuten die hij zo node moest missen sinds zij de plotse wijk had
genomen naar de wereld van zompige aarde vol vreetspul dat ja-
loersmakend haar mooie lichaam had voorgeschoteld gekregen.
En Uiteraard tot op het bot zijn ze gegaan rulde het haatdragend
in zijn gedachten, nog niet een zacht stukje zal er zijn gebleven,
alles in dat veel te hongerige vreetspul verdwenen.

Maar daar ging hij zich nu niet overbewust van zijn, nog even niet.
Eerst moest er wat tussen gepropt om een beetje grip op alles te
kunnen houden nu zij weg was, en wel het deuntje van de vader
die, als machinist hoog in een bouwkraan gezeten om toch maar
vooral andermans bouwwerken te voltooien, op een gegeven mo-
ment in een tóch nog filosofisch getinte bui bedacht zal hebben:
“Overdag hijsen? Dan ook maar ‘s avonds!” Een gedachte, overig-
ens, die de vader begon te denken op het moment dat een derde
worp van zijn eega uiterst aanstaande was.

Een belangrijke daad bleek het voor de derde worp dat drinkbegin
van de vader om dat bijzondere leven, op twaalfjarige leeftijd door
hem zo knap gedacht, een goede start te geven. Deze derde worp,
een zoon zo is inmiddels duidelijk, als een nogal hongerige bewijs
van de onnadenkende geilzucht van de vader, had het er (tussen
wat broers en zussen) maar mee te doen.

Een belofte tot aanvaring, al bleef het bij verbaal geweld.

Tot er getrouwd werd met de-vijf-minuten-vrouw was er dus weinig
lieflijks tussen de geile verwekker en het resultaat ervan, weinig
begrip voor elkaar was er zogezegd. De moeder bungelde hier wat
angstig bij en deed zich doof en stom voor was er weer eens een
conflict tussen voornoemde twee, waarbij toch de zoon tot op het
laatst steeds het onderspit moest delven, of wel af moest druipen
naar zijn slaapkamer om daar de woede op te kroppen als voor-
bereiding op de ontvankelijkheid van de toenaderingen uit de vijf-
minuten-vrouw die hij ook graag trouwde om van de almaar groei-
ende haat af te zijn jegens zijn verwekker.

Een angstige moeder en een kreng van een vader, een ideale
voedingsgrond naar bovengenoemde verhouding van de zoon
met de vijf-minuten-vrouw zo wil dus gebleken in voorgaande
deel van dit lang te worden bedoelde gedicht dat heus nog een
wijle zal moeten doormodderen met het feit van die vreemde
verhouding tussen de vijf-minuten-vrouw en het derde kind van
de drinker, vader en zoon waartussen vele conflicten doolden
nooit werkelijk tot een oplossing gebracht omdat de zoon het
eerstedebeste mädel al direct zo serieus nam dat hij er binnen
een paar maanden mee trouwde. Waarmee natuurlijk niet is ge-
zegd dat hij er niet stapel op was, ha, hoteldebotel was hij al bij
de eerste gewisselde blikken tussen hem en het mädel, waarbij
het wel de vraag is of dat stapeldolgedoe voortkwam uit een
gezonde verliefdheid zo kenmerkend voor al het ronddartelen-
de jongspul of dat hij vooral onbewust naar ‘t wicht toegedreven
is door de onhoudbare situatie in het huis van zijn beefmoeder.
In het kader van dit gedicht laten we dat open en gaan verder
met de derde worp nadat hij zijn geliefde vijf-minuten-vrouw
verloren had, al moet gemeld dat het vijfminutenspel niet al
direct aan het begin vasn het huwelijk gespeeld werd, donders
nee, twee weken, wittebroodsweken zeg maar, was er ‘normaal’
sexueel verkeer tussen de twee, al waren er toen al wel de eer-
ste tekenen vanuit de toekomstige vijf-minuten-vrouw dat het
daarop uit zou komen, want één keer in de vier dagen en dan
ook nog zo snel mogelijk zo was haar devies al vanaf huwelijks-
nacht nummer een.

De zoon was op z’n vijftiende aangewezen op veel jeugdzorg. Er
kwamen wat tehuizen, er kwamen wat pleeggezinnen, er kwamen
ook veel complicaties aangaande het bijzonder zijn door hem zo
hoopvol gedacht destijds, een gedachte die hij nog niet vergeten
was en die hem ten opzichte van de hijsvader op de been hield.

dinsdag 11 december 2012

rationeeltje vol zaken die er dan ook wel toe zullen doen

atheïst:

graag wil ik, niet lichtgelovige, weten met welke argumenten
de gloedvolle spreker tot ‘n standpunt kwam over het atheïs-
me en vooral dat het leidt tot de vernietiging van het denken.

spreker:

het denkproces is een ingewikkeld neurofisiologisch proces in
de hersenen, het toeval van de atheïst een blind proces dus
ook het denken van een atheïst is een volkomen blind gedoe.

atheïst:

er is het beginsel van voldoende grond (geen bewijs /ook geen,
zeg bijvoorbeeld, god) en terecht is er het verstand gericht op
toeval want zie de evolutie toont de rede betrouwbaar, een nut-
tig instrument ook tot overleven.

spreker:

iets wat betrouwbaar is gebleken hoeft nog niet automatisch
waar te zijn, want rede ontstaan op grond van toevalsproces-
sen waaruit ware kennis kan verkregen is deerlijke labbekak-
koek voor een beetje christen.

atheïst:

ah, wel mogen we dan zeker fijn op gods waarheid bouwen,
deze heus op universele schaal als rationeel aanvaarden?

spreker:

ja, want een christen heeft deze atheïstische problemen niet,
deze gelooft dat het heelal geschapen is door God, dat Hij ‘t
bewust heeft gewild zoals het nu is.

atheïst:

O?

spreker:

God heeft een bedoeling met het heelal, de mens met een
goddelijke rede begiftigd kan erop vertrouwen dat hij de ware
kennis over de wereld middels Hem kan krijgen en dat deze
kennis ten volle betrouwbaar is en tot in het oneindige waar.

atheïst:

dus eigenlijk: zonder god geen rationele waarheid.

spreker:

u hebt het begrepen.

Na dit gesprek ging de atheïst nogal in verwarring naar de kerk,
hij wilde van de weeromstuit zo graag geloven dat het gebouw
God herbergt, hij wilde zo graag dat hij door de kracht van dit
geloof de bewoner van dat grote pand helemaal voor zich kon
gaan zien, de bewoner als het ware naar levende lijve op zou
kunnen roepen, Hem zou kunnen mogen aanraken zodat het
erge door de spreker zo verworpen toeval zich verre van hem,
atheïst, zou werpen.

Waarachtig, zo graag wilde de atheïst dit alles dat hij het ex-
periment van geloof met een voor een atheïst bijna ongeloof-
waardige volle geloofsovertuiging aanging.

En niet voor niks zo bleek, want alsof de duivel met het ex-
periment speelde kwam daar zowaar de God van de spreker
aangestiefeld vanuit de pastorie alsof IE net een lekker bak-
kie koffie had genuttigd met een van zijn zo trouwfijne hulp-
knechten, ook wel, in dit huisverband, pastoor genoemd. Eerst
was de atheïst volkomen flabbergasted, gooide dan zijn on-
geloof en zichzelf in volle overgave op de knieën voor hetgeen
hij daar aan almacht naar hem toe zag schreiden. Spijt had hij
direct van alle anti-religedachten uit het verleden. Nooit meer
zou hij twijfelen. Nooit zou hij nog in discussie gaan over de
bestaanszekerheid van de God van de spreker.

Dus zo gebeurde het dat de atheïst nog lang en gelovig kwam
te leven, hij kreeg in de loop van de tijd zelfs zin in een gezin,
kwinkleerde later de heilige woorden van de bijbel over vrouw
en kroost en ging als laatste van het fijn door hem gestichte
gezin dood.

En daar zat hem nu dat in een lied als onderhavige te ver-
wachten cruxje van dit uiteindelijk toch nog op heiligdom ge-
stoelde goedgekomen leven, want heus wel dip alleen zijnde
als laatst overgeblevene kreeg de man alle zin om weer eens
wat na te denken. Gewoon zoals vroeger. In het begin van
deze eenzame denksessies deed hij nog wel eens de bijbel
opslaan om zo tot een waarlijk godsvruchtig denkproces te
komen, maar allengs liet hij dit b-ritueel varen en vertrouwde
op zijn ervaring als denker. Gelukkig ging hij dus dood. Dit
laatste waarmee waarlijk niet bedoeld wordt dat hij het fijn
vond om snel dood te gaan om te voorkomen dat het on-
geloof vanuit een soort van erbarmelijk verlangen naar zijn
veel te deerlijk afgestorven vrouw plus kroost wraakzuchtig
weer terug zou komen, nee zeg, zowaar hier wordt bedoeld
dat de gelovig geworden atheïst onwerelds gelukkig bleef in
zijn opgelopen gelovig bestaan tot op het moment van zijn
niet-reddende doodgaan zodat de spreker uit mij, het lied
hierboven, met ‘n heilig en zekerlopend gerust hart verder
kan spreken over de vernietiging van ‘t denken veroorzaakt
door het atheïsme.

lezer:

Eh… Cruxje?

lied:

Nou, dat hij niet weer werd als vroeger. Dat is toch vet fijn?

lezer:

O

zondag 9 december 2012

Impromptu: Kriebel op het pluche, of zo blijven we lekker bezig

De maan op wit

(au-stenen e.a. lekkernijen)

een tiental woorden op lippen
sculpturen uit leven om dood

overdag koud en droog met lichte vorst
‘s nachts is wateroverlast geboden voor ‘t eeuwige sleutelen
aan fluisterende zee vechtend in wakken tussen ijzige lijsten

veel dreunende mierenhoeven ook in balschoentjes
en nooit was er ergens een…

maar

voor het benen in bloemrijke maalslag
is achterwaarts vergeten onontbeerlijk

en nu we toch aan die keuvel zijn
hét zo mooie begin zijn we sowieso
kwijt gezien de Evolutietheorie waar-
door het grote en ook wel zeer beroem-
de Genesis verhaal nogal anders ging
uitpakken want zie de eerste twee mens-
jes Adam en Eva moeten volgens die E-
theorie grof gesproken  Neanderthalertjes
zijn geweest zodat het ge doe met dat ap-
peltje bij dat boompje tot niets  anders
kan worden teruggebracht dan tot een
onbetekenend akkefietje tussen twee vroeg-
mensjes waarbij het wijfjesmens met gevaar
voor eigen leven vanwege wat slangspul in de
takken een ha lekker appeltje plukte even
later aangedreven door de destijds gebruike-
lijke ietwat grove sociale omgangsriten uit de
handen gegrist door haar mannetjesmens die
er zonder de minste schuldgevoelens alsook
zonder een scheutje schaamte een heerlijke
hap van nam om daarna weer aan de gewone
dagelijkse bezigheden te gaan zonder de kwa-
de wil van zijn oerwijfje im frage te stellen. Er
was zo bezien ook geen enkele aanleiding toe
daar de Neanderthalers naar alle waarschijnlijk-
heid niet dachten in goed en kwaad gezien hun
ontwikkeling.
Zo ook
sloeg Kaïn Abel in diezelfde periode dan wel dood,
maar echt meer aan de hand dan een eenvoudig
moordje was er niet, want het nu, gebaseerd op ‘t
grote Boek waarin het Genesis-verhaaltje zo hevig
promineert, bestond toen helemaal niet.

Waarmee maar wil gezegd: o schuldige lijsten, gierend door de bril

woensdag 5 december 2012

Zomaar wat vrolijkheid

Allah is groot
Allah is machtig
Allah heeft een reet
Van één meter tachtig

Dit versje staat op bladzijde 949
in “de Nederlandse kinderpoëzie
in 1000 en enige gedichten ver-
zameld door Gerrit Komrij” onder
het kopje: Bakerrijmen en kinder-
liedjes, speelrijmen en tafelvers-
jes (4).

Potver, als hier maar geen gedonder van komt.

Brief aan God

Zomaar een stadje, november 2007

Betreft; het jaar anno zoveel tot zoveel

God,

Om maar direct met mijn wereld Uw hemel binnen te honken:

U kent mij niet,

maar ik U des te erger.

Het zit namelijk zo (en niets dan goeds hoor over Uw schepping
en zo) dat ik ondanks het U zo erg kennen toch nog met wat on-
duidelijkheden zit omtrent Uw bedoeninkje, zo wil ik bijvoorbeeld
(en ik houd het Uw hemel binnenhonken in eerste instantie klein,
basaal en willekeurig) het wat hebben over zomaar een vader en
een moeder, die naar het oervoorbeeld van Adam en Eva, laten
we zeggen door U een aantal jaren geleden hevig in de echt zijn
verbonden, maar het achteraf, na zo’n kindje of vijf op Uw aarde
te hebben gedropt, geloof ik niet zo’n geweldig idee meer vonden
dat huwelijk ook al lag er Uw alomtegenwoordige zegen met beide
handen duimendik bovenop. Al die hongerbekjes, ‘t werd allemaal
niets. De moeder deed haar best, de vader dronk zich naar opperbest.
Zo’n huwelijk dus maar even. Het werd met kinderen en al, ondanks
Uw zo zalige zegen, uiteindelijk na een durige periode toch nog hef-
tig van elkaar scheiden in een tijd waarin dat niet zo gewoon was.

Nu was U, we gaan als U het goed vindt nog even door met dit wille-
keurige voorbeeld, gelukkig voor de kinderen en gescheiden ouders,
zo braaf om daar waar mislukte huwelijken steeds meer bleken te
gaan plaatsvinden ook een aantal instituties te doen laten ontstaan
uit Uw naam (een wat blasfemisch mens zou nu flauw kunnen sug-
gereren dat U hiermee wellicht een ietwat te weinig vertrouwen in
eigen kunnen demonstreerde, maar zo goedkoop wil ik uiteraard niet
zijn) die het tot hun taak mochten rekenen kinderen op te vangen uit
die voor U toch wat al te beschamend mislukte huwelijken ooit zo lief-
lijk door uw dienaren geredigeerd met ook alle behoud van Uw zegen.
Goed, om niet bijbels lang te gaan: Uw goedertierenheid kwam dus
in verdubbelde mate over de door die ouders verlaten kinderen ge-
stroomd in een van de vele instituties onder Uw heilige vleugels o zo
barmhartig geschapen tot redding van deze erg ouderloos geworden
kinderen.

Ik zei het al, U kent mij niet.

Ook al barst U van alwetendheid gevreesd tot in de uithoeken van
elke mensenschedel ik blijf erbij: U-kent-mij-niet! En o graag wil ik
met een paar woorden van mijn kant dat mij alwetend kennen be-
slist pogen te bevragen, want er is mij tot nu toe geen begeerlijk
hemels duitje van gebleken, van dat, zoals gezegd, mooi klinkende
mij alwetend kennen.

Ik mag mij met Uw welnemen gaarne nader verklaren?

Fijn.

In die nog niet zo heel lang geleden uit Uw naam opgerichte insti-
tuten werd, om maar even met dit nog altijd willekeurig begonnen
voorbeeld verder te gaan, ter danige opvoeding van het door de
ouders zo schandelijk verlaten kind met hand, achterkant stoffer,
dikke knuppel en wat al dies meer zij dit verlaten wezen bewerkt
tot er een godvruchtig zieltje wilde gaan ontstaan braaf en vroom
tot in alle nog te komen beweging waarmee het kind de wereld, Uw
wereld, zou mogen gaan betreden. Niets mis mee hoor, en ik weet
van Uw wegen die vooral nogal ondoorgrondelijk zijn. Echter beste
man God, om met mepblauw tot hemelsblauw te geraken is dat nu
wel de juiste weg Uwer wijsheid? U weet toch ook dat kinderen zo
licht beïnvloedbaar zijn dat hand stok of stoffer niet echt nodig zijn?
Dat woorden, mits juist gedoceerd, geheel en al kunnen voldoen. Ik
zeg hiermee toch niets nieuws want zie de ideeën uit de Verlichting,
toegegeven een niet al te hippe periode voor U, waarin hand stoffer
en stokslaag op kinderen in het kader van de waardering voor het
menselijk verstand ten zeerste werd afgeraden. En dan, schreef U
niet ook een heel boek vol te mooie woorden dat nu al zo’n twee-
duizend jaar poogt een bizar groot deel van de mensheid donders
te overtuigen van Uw almacht gelardeerd met een scheutje goeder-
tierenheid? Gezien deze feiten waag ik het te betwisten dat U ons
zomaar even denkt te kennen. Doet U dat wel; dan was, om maar
even bij mijn voorbeeld te blijven, het aanbrengen met hand, stok
of stoffer van al genoemd blauw bij de kinderen van gescheiden
ouders toch zeker overbodig als de pest zo wil ik U gaarne met de-
ze wellicht wat onwelvoeglijke woorden duiden op dit late uur waar-
in ik deze brief aan U heel schoon zit te schrijven middels woorden,
want woorden…

Enfin, een ander voorbeeld nu, want ik wil niet de indruk wekken in
deze brief me geheel toe te spitsen alleen op het door kinderen on-
dergane leed uit het verleden. Werkelijk, het zou wat al te bescham-
end zijn U alleen daar op te enten, ook ware het te gemakzuchtig.
Buiten dat, een herbeleving in alle kleur en geur te beschrijven met
zulk een expliciete beeldtaal die de waarheid tot op het al te blote
naadje kan benaderen is me wat te griezel gegrepen en ook niet
nodig voor de rest van mijn brief aan U die, ook volgens bepaalde
types, toch al alles schijnt te weten.

Weet u wat beste man God, ik ga de rest gewoon in een soort van
gezellig metafoortje voor Uw voeten gooien, klinkt het allemaal wat
mooier en zo hebt U wat te puzzelen daar op Uw troon. Want volg-
ens Uw B-boek is U nogal eenzaam veelal in dat hemeltje van U ook
al zwermen er miljarden aardgestorven zieltjes om U heen. En wij
mensen mogen dat toch zeker eeuwig ondervinden middels de voor
ons zo ondoorgrondelijke spelletjes die U met ons speelt. Waarbij
Uw schreeuw om aandacht nogal vuistdik uit het open B-boekje komt
trippen zodat we met al de eigenwijze wil uit ons zo minne mensen-
wereldje er niet aan kunnen ontsnappen en zodoende gedoemd zijn
Uw spelletjes mee te spelen zolang we te bang zijn om buiten U om
zelf wat spelletjes te verzinnen die het spelen waard zijn. Want gd-
verdomme God, U is een behoorlijk slimmerikje hoor, door maar op
Uw metafietsie te blijven rondpeddelen in het hemelse luchtruim zo-
dat er nooit eens een gedegen confrontatie zal kunnen plaatsvinden
tussen U en ons mensjes om alles eens werkelijk op het spel te zet-
ten. Nooit krijgt dat metafietsie eens een ongoddelijke lekke band zo-
dat we U wat dichter kunnen naderen in alle deemoed die we natuur-
lijk nog steeds in ons hebben daar we, buiten dat verrekte Mozesman-
netje, nooit van aangezicht tot aangezicht met U hebben mogen staan.
Gdver een mens zou er werkelijk van gaan wensen dat U inderdaad
gewoon eens heerlijk gruwelijk van dat metafietsie pletterde, dat U
hup eens een beetje lekker sappig gewond op Uw hemelse grondje
zou komen te liggen in een zeer hulpbehoevende staat alwaarbij er in
U een smeekbede gaat ontstaan aangaande het aanvragen van een
beetje hulp door ons mensen U te leveren. Hulp die dan mogelijk even
lekker niet gegeven zal worden, want ja ho zeg, was U het niet zelf die
ons mensjes met een lekker stevige kwaadknobbel hebt opgescheept?
Waarlijk heel gezond voor Uw goddelijke ontwikkeling zou het kunnen
zijn, dat neerkletteren. In ieder geval zou het een gegronde weldaad
voor ónze ontwikkeling zijn U en Uw metafietsie eens wat menselijk te
mogen bevoeten met onze zwaar beschoende loopstelten. Om dan,
ter glorie van wat meer ontwikkeling in ons, vervolgens het uit Uw bei-
der verkregen scheurspul in een extra hete oven te mikken ter hevige
verbranding, zodat dat gedoe van stof tot stof ook eens lekker aan Uw
eigen lijf ondervonden wordt. Echt meneer God, het zou U zeker niet
misstaan werkte U daar eens aan mee voor een wijlchen, zeker daar
dan eindelijk eens voor ons de uitgelezen mogelijkheid zich voordeed
het stoffelijk overschot daarna in zeg maar een raketje, gelijk dat ver-
brandrestje van die André Hazes, te kunnen stoppen en deze niet in
zee, maar voldoende ver een woestijn in te knallen alwaar U en Uw
gestampte metafietsie in de hoedanigheid van as als stof zal worden
verzwolgen door het woestijnzand en dat ons wellicht een groot ge-
noegen kan gaan geven. Heus, dit mag ik gezien Uw geschiedenis
met ons me graag voorstellen als sappig uit te voeren experimentje
ter meerdere heil van ons, in Uw ogen, kleine luidjes, want zie toch
wat u zoal uithaalt met ons, nog altijd te nietige prutsmensjes.

En ach beste man God, nog zoveel zou ik U experimenteel willen
aandoen om bij voorbeeld vragen als hierboven al half en half op-
gegooid verder te kunnen stellen over wat voor een wereld het ons
zou geven verstofte U werkelijk in zo’n woestijntje. Daarbij natuur-
lijk hopend op een waarlijk spoedig antwoord aangaande Uw godde-
lijke verbeelding over dat woestijngebeuren U o zo deerlijk door
mij per experiment aangewreven. Maar wellicht zou deze toch
al zo lange brief U naar veel te brutaal groeien deed ik nog meer
experis. Daarom zal ik een vooralsnog flink tikje goddeloos maar
uiterst braaf en nieuwsgierig te mijnent blijvend verblijven alwaar
Uw uiteraard onvermijdelijk hemelsschone antwoord in alle eer en
geweten zal worden gelezen na aankomst uit Uw eventueel wél
bestaande hemel.

Hartelijks,

Ik

Van prop tot…

Stel je frommelt een wit vel papier tot een prop
en je poneert de stelling dat het niet zomaar een
prop is. Nee, het wil juist een doordacht gevormde
prop zijn, ontsprongen aan je brein. Een vorm via
je handen, die zoals ruim bekend door middel van
zenuwprikkels met het brein in verbinding staan,
ten uitvoer gebracht (van natuur naar cultuur zeg
maar) naar het propmodel en dezelfde handen die
vervolgens het net geschapen kleinood op de tafel
leggen als was het een kunstwerkje waarbij wat be-
geleidende woorden uit de mond van jou, als toch
de maker, nog eens bevestigen dat het een daad
betreft van opperste doordachtheid naar een heus
bedoelde schoonheid met als resultaat een prop tot
kunst verheven.

Geloofwaardig zoiets?

Waarschijnlijk niet als de prop als een prop op de
tafel blijft liggen zonder het wat verder mee te
sleuren naar het hierboven al aangestipte doen
met de bedoeling de gewone prop te extrapoleren
naar een prop waarvan een ieder in de oooooooh-
stand schiet.

Iets extra’s zal er dus aan te pas moeten komen
wil het een bewonderknal in het schedelhuis van de
kijker veroorzaken. Zo zou je, om het extra’s maar
direct even in te vullen, als kunstenaar een lange
draad (dun visgaren bij voorbeeld) door de prop
kunnen halen, deze draad in een lege zaal van
muur tot muur spannen op ooghoogte als werd
het geheel een maagdelijke wereldbol precies op
het snijvlak van een grote, net geboren gebeurte-
nis die beslist geen theorie behoeft om het geheel
in woord iets anders te laten schijnen dan een prop
papier aan een draadje garen gespannen tussen
twee muren.

Zo?

Nu ja, het kan natuurlijk zomaar zijn dat dit bij lange
na niet voldoende is voor de schedelknal en er nog
wat intensiever denkwerk aan te pas zal moeten ko-
men de extrapolatie tot een volledig succes te maken.
Gewoon for te sake of the knal wat meer expirimen-
teren dan maar? Bij voorbeeld door boven de prop
experimenteel een spotlight te plaatsen die middels
zijn felle licht een schaduw van de prop op de vloer
werpt zo’n 10 keer groter dan het ding zelf zodat er
op die manier een tegenbeeld ontstaat die de prop,
buiten de hierboven al genoemde, zeker een extra
betekenis zal geven zodat de prop niet meer de prop
zal zijn van voorheen.

Gevolg: onder de kijkschedel verwondering?

Mooi natuurlijk, maar wat, gebeurt dit niet?

Geen nood, want het brein voorziet in zulke ge-
vallen in de mogelijkheid er nog meer voldoen-
de oplossingen voor te vinden dan er al voor-
handen zijn. Zo zou er bij voorbeeld een bed
bijgesleept kunnen worden om de schaduw van
de vloer weg te vagen en op te vangen op dat
erbij gesleepte bed zodat er in de voor de rest
schemerige zaal niets dan een kleine witte bol
van papier boven een bed te zien zal zijn met
op de witte lakens van het bed de propschaduw.

Een ultieme gooi naar schoonheid?

Want een fijnzinnige en interessante installatie zo
laat het zich aanzien is er door deze toevoegingen
geboren waarvan de titel zou kunnen luiden “Kwa-
len Van De Schaduw”, een titel die het geheel van
de opstelling een zodanige diepgang geeft dat de
verwondering nu ongetwijfeld ondraaglijk zal worden
in het hoofd van misschien niet alle, maar dan toch
zeker de meeste kijkers.

Klaar voor de wereld dus, dit werk.

Maar.
Maar.
Maarrrrr.

Waarom niet nog wat meer? Want is de maker met
een danig beetje geluk niet alleen manueel getalent-
eerd, maar ook nog eens op schriftuurlijk gebied het
huis van talent binnengevallen zou er nog een extra
verdieping aan het geheel gegeven kunnen worden
met de totale inzet van het laatstgenoemde talent
om het geheel naar het sublieme te doen nijgen. Zo
zou de kunstenaar ter vermeerdering van de al on-
bedaarlijke beleefvreugde graag kunnen gaan rond-
googlen in zijn hoofd op zoek naar het woord schaduw
en alles wat daarmee verwant is om bij de installatie
een lapje tekst te voegen dat mogelijk zo aanvullend
kan gaan zijn dat ALLE kijkers de al genoemde brood-
nodige knal nu onvermijdelijk in het gulhoofd zullen
willen beleven.

Zo’n resultaat van het hoofdgooglen zou kunnen zijn:

On – zichtbaar


volle binnenmuren
maar ook gelapte ramen
voor het buitenlicht


ontsporingen in folders
een gebeuren
bol van streepjescodes


vergeefs glijden
wolken pendelend
boven raadselharen


pil en vliegenmepper
fenomenen
als nodig speelgoed


soms ook weemoed
per maanlicht
vaag nog in geschriften


En als er na deze toevoeging dan nog geen ooooh-
standje onder het kijkersschedeldakje plaatsneemt
dan is deze, wat de kunstenaar betreft, gewoonweg
verloren en gedoemd een muur bij voorbeeld alleen
nog te kunnen zien als een nuttig voorwerp gemaakt
ter bepaling van een fijn beschut leven zonder zo’n
gestapeld steenvlak ook nog wat overdrachtelijk in
de geniepstand te kunnen zetten. Gevolg hiervan
kan zijn dat er voor zo’n kijker het wel heel oude,
donders afgesleten beeld zal willen gaan gelden:

EEN PROP IS EEN PROP IS EEN PROP IS EEN PROP.


Toegegeven, een begeerlijke conclusie voor een
niet al te succesvolle kunstenaar ligt hier voor het
oprapen, zomaar hup te ondersteunen met onder-
staand vers:
Bloemrijke verbindingen

sierlijk het haar (ongedurig
soms moe en tolk van zucht en zwavel)
gewichtig boven snelle wangen


graagogen vol nachtcafé

verre gezichten op conversatie
in toogstille spraak naar mooi / zichtbaar verdragen

te nemen slokken golven gekooid

in het glas
op chaos van gewichtloos vertrekken

os reikt naar zolder op fréle poten van behang

loeit schoorsteen warm barkeeper klimt in zijn
lach werpt kopstootjes tussenbeide

de adem naar buiten

waar rolgevels
in het schedelwerk 
 
Zodat zijn spiegelpaleis…

Dertien zeeën en het krieken van de dag in een stap


Het is misschien bekend bij de meeste mensen,
maar ernaar leven is wel ‘n lapje geheel andere
stof, en wel een lapje in het breinkastje huizend
alwaar het niet belemmerend zou moeten werken
te geraken aan de urgente staat naarstig vereist
om dat te gaan ondernemen zo noodzakelijk voor
het bestieren van de dertien zeeën met hooggolf
door wat meer stappen in het krieken van de dag
dan die ene hierboven in de titel beschreven als
zijnde wat weinig voor de hele onderneming ter
bevordering van meer leven in de brouwerij ook
al wil men zijn leven lang voor geen enkel meter-
tje niet zuipen.

Een dilemma dus! Nu ja, in die orde dat er vol-
mondig naar het leven gehapt zal dienen te
worden wil er überhaupt van leven sprake zijn
in onderhavig geval van aanmodderen zonder
genoemd lapje niet-belemmerstof naar nooit
meer belemmeren. Een deerlijk nodige urgentie
in dit dilemma is, zoals we hierboven al direct
even zagen, dus de wens, want een drama ligt
er geheel wilsnuivend klaar was die wens er niet,
of dooier nog, een panorama van de allerbloot-
ste orde wil er zeker gaan plaatstonen blijft die
urgentie op het wat al te flegmatieke gatje zitten.
Heel prompt duidelijk en overbekend dit!

Toch?

Maar eh…

Wat wil er nu eigenlijk helemaal mee gezegd?

Geen flauw idee in mij doet dood naar een ant-
woord, maar het geheel papt wél strijkend een
heleboel woorden op papier die er anders niet
waren gekomen. Ik bedoel maar. En daarbij
ook zou er toch zeker beslist geen overdenk-
ende aanloop naar een fijne levensbezieling
plaatsvinden in de beleving van die dertien nu
zo te lage zeeën (waarvan, zo wil voor de duur
van dit stukje graag zijn aangenomen, zodanig
sprake is dat de beleving er ook werkelijk een
is van help ik leef waarlijk niet in al dat ongeluk-
se lage dertienwater bij het krieken van de dag)
als die zo nodige urgentie volledig afwezig zou
zijn gebleven in mijn zo veel te vaakse luibillen?

Oef!

Misschien zou een mens die een vrachtje verstand
achter zich aanleept in een holderdebolderkar over
zulke dingen niet zo hevig na moeten denken en
zou hijzij gewoon het gras terug de grond in moet-
en gaan zitten staren opdat er nooit meer gemaaid
hoeft te worden, want hell dat geknip is toch een
bezigheid te zinloos voor woorden als er bedacht
wil zijn dat het groenspul al na twee weken weer
schreeuwt om opnieuw getopt te worden naar gr-
domme nog meer groei in de toekomst waar zo-
waar het dwingende gevolg al zit ingebakken het
pffmaaien zo aan te moedigen nogmaals te gaan
maaien en dan nog een keer nogmaals en nog …

Sneuvel zeg hoe is ‘t mogelijk dat een mens über-
haupt nog wat onderneemt in deze cyclische veel-
teveelgang die geen einde kent anders dan een
einde bij de dood van elk van ons, mensjes. Een
dood overigens, die met grote kans komt op het-
zelfde moment dat het besef zich het diepst gaat
manifesteren in het dan al afgebraakte lijf dat het
nooit, nee nooit zal stoppen dat groeiende groen,
dat het verdomme almaar in de hoogte blijft leven
tegen alle donderklipse maaibeweging in. Een groen
ook dat alle mens door dat onfrisse van altijd maar te
moeten maaien sterk doet krommen naar de aarde
als zalig voorproefje van wat er zoal te komen staat
na volledige stilstand van het danig vermoeide knip-
lichaam met daarbij het gevolg van totale

Eh…

Nu ja, ‘t niet-belemmerlapje van hierboven is wellicht
toch wat veel van het goede gezien de eeuwige maai.

Dit alles tot hier gebracht hebbende doemt kordaat de
vraag wat nog verder te schrijven, want alle liefde voor
het leven is in dit stuk toch zeker volop opgebruikt aan
bod gekomen, niet minder ook de zo zinloos drukke
levenscyclus alsook de veel te erge dood die als een
waarlijk grote keizer in onderhavig schrijfstukje zich
wist te nestelen als had ie er alle recht toe een hoofd-
rol te spelen in dit…

Ja, in dit wat eigenlijk.

En pleur zeg, doen echte schrijvers het nu ook zo?

Ik bedoel dat ik een half uurtje geleden ben gaan
leuteren op papier en hopla dit schrijfstukje uit mijn
typevingers heb laten druipen zonder de minste notie
er van te voren een idee over te gaan hebben. Zouden
die echte schrijvers het werkelijk zo heilemaal doen?
Is het antwoord ja, dan ben ik er dus ook een. En bij
nee, ga ik er toch een willen zijn, want al dat hierboven
beschreven woekergroen steeds weer te moeten inkorten
tot toch alleen maar wat extra groei, dat is werkelijk geen
passende levensvervulling voor mijn somtijds wat luie lijf
aldus de graag geldende norm in mijn hoofd.

Natuurlijk wel blij ben ik dat al die onvermoeibare groen-
knippers er zijn. Ik zou anders door de oeverhoge groei
van alle grassprieten in de wereld mijn wil tot het grijpen
naar schrijfgerei niet eens meer kunnen vinden om over
deze veelmaaiers ook maar een letter te mogen schrijven.

Daarom:

ODE aan de knippers tot bevordering van groei.

De kraamgids


loopt de strengen
af Geluiden onderhands

Instanties hanteren roet
of viergasmeting

vertrouwen op aanvullend sporen

Kilometerhistories
minimaal
te rekenen op samen-

spraak van kleine woorden

Demonterende gedragscodes
blokkeren de vorm
vooruitlopend op felle plaatjes

doorschoten
met blauwe symboolwetten
van vensterbranches

zodat de brandweer
druipend en met kroos in de vacht
nauwelijks hoeft uit te rukken