Posts tonen met het label VERHAAL. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VERHAAL. Alle posts tonen

woensdag 19 december 2012

Even een ietwat verhaaltje

Buurvrouw, beslist niét van driehooglekker, kwam van-
morgen op alle zin van de wereld aangestruind met
een voor haar klare inkleurbui. Woordenboekdik, zo
zag ik, zat het op de wangen geplakt, in lettergrepen
stoomde het buitje uit haar benen, haar buik borrelde
van de alinea’s en op het voorhoofd dansten de uit-
roeptekens met een hevigheid of ze net vrijgelaten
waren uit een te langdurende gevangenschap. Zelfs
de permanent-haar-hoofd-inklemmende strengkrul-
len mochten zich in volkomen tegenspraak met haar
inkleurbuien verheugen op een peloton aan vraag-
tekens. Kortom de buurvrouw had weer wat te melden.

Heb je het al gehoord? De vingers, altijd wel komma’s
en punten onder haar gelakte nagels vandaan wurm-
end, sloegen met alle tien op het borstgebied waarin
ergens haar hart zich moest bevinden en waar, door
de slag, de daar aanwezige lidwoorden verschrikt weg-
sprongen. Op haar heupen pas kwamen ze tot stilstand,
de lidwoorden

Geen idee of ik het al gehoord heb buurvrouw. Ik
loerde naar haar buik waar de alinea’s in heviger
borrel terechtkwamen.

Nou, dat van de leider

Leider?

Ja je weet wel, onze leider

Goed, de leider. Wat is daarmee?

Nou dat ie vannacht is gevlucht.

De boekdikke bui manifesteerde zich nu ook in uit-
roeptekens, al te fel dus klingelend aan haar voor-
hoofd. Ik hoopte wel dat dit haar hele bericht was,
ze kan zo duren, de buurvrouw.

Hij heeft zich uitgeput met al die politiek. Helemaal
leeg was ie toen ze hem onderaan de boom vonden
waar ie al een weekje zat.

Dat kan toch niet.

Hij is zo weg als een pier onder gras. De lippen rood
van voegwoorden slisten de woorden naar buiten, trok-
ken zich direct weer strak toen de slistaak was beëin-
digd. De voegwoorden sprongen daarop terug naar de
plek van even daarvoor alsof ze wat huiverig waren aan
dit vluchtbericht mee te werken.

En gevlucht? Hoezo?

Dat zei een vent van de televisie, die zei dat heel het
land al dagenlang vol lag met zijn afvallige wormen, en
dat ie, de leider, toen ie helemaal leeg was van krenk,
krachteloos naar elders is gevlucht. De zolen van haar
bloedrode schoenen schoven over de straatstenen, plet-
ten en passant een paar lidwoorden die geen tipje hou-
vast aan de heupen hadden kunnen vinden en op straat
waren gekletterd om daar na jarenlange trouwe dienst,
en dus zonder het te weten, hun pletlot te ondergaan.
Het land vol met wormen en hij leeg? Maar beste buur,
die wormen van hem zijn zo leeg als sonnetten zonder
jambische hef- en dalingen, dus hoezo nou het land vol
en hij leeg.

Ja zeg daar heb ik de ballen verstand van hoor, ‘kzeg al-
leen wat die televisievent heeft gezegd, voor de rest weet
ik het ook niet, malheur hé, van politieke valwormen daar
kan ik niet van eten en drinken, daar vul je heel geen bord
mee, das allemaal kleuterkoek voor de geleerde heren,
daar stil ik mijn borrelende buik niet mee.

En borrelen deed ie, de buik. Als de enige en echte boom-
takdichter zou ik er zo een gedichtje over kunnen maken.
Maar ‘t zou niet in goede aarde vallen, haar geenverstand-
vanwoorden gulpten dat zoëven in alle toonaarden uit. Dus
zei ik dat ze groot gelijk had, eerst das fressen en dan die
mooitaal.

Wat lul je nou man. Als een woordenboekdikke zonder te
zijn opengeslagen liep ze weg, fressen, toen die Duitsers
hier waren hadden we dat mooi dus niet, fressen, allemaal
gelul dus.

Toch wel mooi ondanks zo’n treurig einde, zei ik, de lul-
woorden van de buur onderbrekend, dat die leider zo vlot
de vlucht in is gehuppeld, twee mannetjes, zoals in ons
land nu het geval is, die leidertje willen spelen het is als
twee bestuurders in een auto waarvan er altijd een zonder
stuur plus pedalen zit en die daarvan dan weer stikjaloers
wordt en dat er dan voor je het weet een zittingenoorlog
uitbreekt die de auto onbestuurbaar maakt.

Allemaal gelul. De inkleurbuur was een eindje verderop
stilgevallen wat het lopen betreft, erger nog, ze had zich
omgedraaid een beende nu terug mijn richting uit, onder-
wijl dat gelulwoord herhalend, daarbij een spoor van af-
geschudde leestekens achter zich latend als wilden ze zich
beslist van haar ontdoen, vaal gelul van een doorgezakte
broodplank, en trouwens jij bent toch dichter, jij doet toch
in mooitaal?

Ja, de enige en echte boomtakdichter van deze stad.

Nou, dan kan je er gelijk een mooi versje op schrijven,
op de zo tragische leidersneergang van de leider be-
doel ik, het is toch een berg zielig toch dat zo’n man
maar aan het vluchten is geslagen. De lettergrepen
aan de benen stutten nu met z’n allen haar knieën
alsof er een taaldadige aansporing nodig was haar
dit voor haar doen buitensporige ideetje ter ere van
de leider naar buiten te laten brengen, waarlijk, ze
zette haar handen daarbij als strakke uitroeptekens
op haar heupen zodat de daar per ongeluk terecht-
gekomen lidwoorden nogal opschrokken uit hun ver-
driet nu niet meer aan haar borstgebied te hangen,
een paar gingen zelfs het erge lot tegemoet van de
hierboven beschreven voorgangers, zo dommig ver-
trapt.

Een gedicht voor een gevlucht leider, is dat niet raar?

Nou ja, hij heeft zich wel zonder vrije wil gevlucht hoor.

En u vond het wel wat, die leider?

Het brengt geen bonen op m’n bord en ik heb er geen
verstand van, dat heb ik gezeg, over welwat heb ik het
niet gehad, de uitroeptekens staken plots hels uit de
groeven op haar voorhoofd, maar ik vind een gedicht
als dit, ze pakte een lapje papier ergens uit de plooien
van haar rok, toch zeker echt wel prachtigmooi, ze duw-
de het pal onder mijn dichtersneus:

Leider leider, o u leider door ‘t lot gegeven
bedrijf en verbouw mijn leven voor altijd
redt Holland ten tijde van hoogste nood

o ik dank u voor mijn dagelijks brood
Blijf voor altijd bij me en schaad me niet
Leider, mijn leider, mijn geloof mijn zicht

O mijn leider mijn leider geef mij het licht

Kijk, zoiets even helemaal dus, dat vind ik heel goed.

Ik, boomtakdichter nietwaar, herkende vaag in het taal-
dingetje een gedicht van Schirach, jeugdleider ergens uit
een alweer ver duizend jarig rijk verleden, weliswaar was
het vers danig aangepast aan de huidige te tragisch ge-
vluchte leider zoals de inkleurbuurvrouw het noemt. Mooi
buurvrouw, maar heus, zo mooi kan ik heel niet dichten,
daar heb ik de capaciteit niet voor, dat kan ik echt niet.

Trouwens, waarheen is die leider gevlucht?

Ach wat, zo moeilijk is dat toch niet? Je hoeft hem alleen
maar wat veren aan het o zo mooie leiderslijfje te zingen,
ik zie daar geen probleem in, veren ergens in zingen dat
kan toch iedereen zowat, luister; de veren op zijn hoed
staan hem bijzonder goed, zie je, zelfs ik kan het. De he-
le mikmak aan lidwoorden, uitroeptekens, punt en kom-
ma, alinea’s et cetera glansden als een overdonderende
aura nu om haar voloptueuze lichaam, zelfs haar knieën
ontstramden zich van de knellende lettergrepen, haar he-
le lijf huppelde gewoonweg even van overtuigende trots.
Kijk toch eens al dat talent bij u, een liedje voor de leider
schrijven staat u zowaarlijk op het lijf geschreven, met die
veren op zijn hoed zou u bijvoorbeeld prima kunnen be-
ginnen, met zo’n begin wil er de heerlijke mogelijkheid zijn
in woorden te groeien tot een homage elk een leider waar-
dig. Ik zou het zelf doen als ik u was. En eh…, waarheen
is ie nu eigenlijk gevlucht, die leider?

Naar Engeland, maar daar willen ze hem niet hebben, daar
zeggen ze dat ie veel te veel feest in zijn lijf heeft, dus dat
ie het volk maar zou opschrikken. Engelsen houden name-
lijk liever van een rustig kopje thee zo tegen het eind van
de middag, zo weet ik, daar past onze leider heel niet tus-
sen vinden ze en daarom willen ze hem terugsturen naar
hier, willen ze hem geen politiek asiel geven, want hij is
gevlucht, zo zeggen ze, voor eigengemaakte wormen. Wat
ze hiermee nou bedoelen weet ik niet hoor, ik ben niet zo
van de politiek. Maar een veel te schande vind ik het wel.
Onze leider eruitgooien. Hoe durven ze daar op dat eiland-
je. Twee keer blazen tegen de zee in Hoek van Holland en
ze verzuipen op hun drijflapje land. Het leek wel of het hele
taalgedoe dat zojuist nog zoveel uiting aan haar lichaam
trachte te geven zich met alle graagte van woede in haar
mond had verzameld, zo’n woordenvloed dat had ik nog
niet mogen beleven uit de buurvrouw, bij geen enkele in-
kleurbui.

En ook, eenmaal terug hier zal ie niet op zijn oude podium
meer kunnen voortbabbelen, heel zijn leidersimago is, zo
neem ik aan, nu wel stevig naar de Filistijnen, heus buur-
vrouw, geen vlo is er meer, vrees ik, die zich nog wat aan
zijn ferme leiderschap gelegen laat liggen, geen haar op
zijn leidershoofd zal zich nog bewoond weten door welk een
springbeestje dan ook.

Ja het is treurig, al te treurig, daarom wil ik zo graag dat
er een mooi lied geschreven wordt voor deze leider. Hij
moet een beetje getroost worden, hij is ook maar een
mens, hij heeft ook zijn gevoelens. Hij zal ook wel een
moeder hebben, of voor zeker er een gehad hebben. Hij
kan net zo goed als wij allen in een vreselijke dip vallen.
Ook hij zal zich getroost weten door een liedje voor hem
van jouw hand, hij…

Maar buurvrouw ik zei toch al…

Ach je kan het best wel.

Wanneer komt ie weer teruggestuurd?

Nou, dat is dus het probleem, hij kan niet terug.

Niet terug? Hij wordt toch teruggestuurd.

Ja maar dan is ie al zijn leiderschapdingen, zoals jij al zei,
kwijt, zijn er alleen nog zijn wormen over en daar zijn er
hier al genoeg van zo vindt inmiddels een wel erg groot
deel van de mensen die hem als dé leider zagen vroeger,
tenminste dat zei die televisievent.

Ja, dat is wel sneu.

Erger nog, nu zwerft ie illegaal door Engeland, zonder huis,
zonder haard, zonder geld, is ie volkomen afhankelijk van
de inwoners van dat land, ‘t is vreselijk gewoon.

Dan heeft ie aan een geschreven liedje ook niks.

Nee, dat is waar. Nou, laat dan maar en zoekt ie het maar
uit, zal ie nog lang van de welwillendheid van die mensen
daar afhankelijk moeten blijven, een wat onzeker bestaan,
maar ooit leider geweest zijnde kan ie dat heus behappen.

Vind ik ook buurvrouw.

Jammer, dat wel.

Ach, er komt vast wel weer een andere leider, een die heel
veel op hem zal lijken, want die kans is dus best wel hype!

We wachten maar af.

Is goed, dag buurvrouw.

zondag 9 december 2012

Bedden (een toneelstuk in één bedrijf – drie personen -)


(Na elf jaar huwelijks in hetzelfde bed te hebben gelegen werd het tijd
voor een nieuw slaapgebeuren vond de vrouw als aanzienlijk deel van
een echtpaar. En zoals het nogal ‘s uitpakt gaf de man uiteindelijk toe.)

Man: Is het nu werkelijk echt zo nodig? Al weken en…

Vrouw: Ja, het is echt nodig, ik lig niet lekker meer in ons bed.

Man: Ik lig er anders nog…

Vrouw: Kijk deze is mooi. (ze wijst naar een glanzend wit tweepersoonsbed)

Man: Hm, zeker, heel mooi, maar niet wat te opzichtig?

Vrouw: Hoezo te opzichtig, niemand ziet het toch?

Man: Eh… Laten we nog even verder kijken.

Vrouw: Goed, maar ik vind deze wel erg mooi. En hoor je, de verkoper zegt ook al dat het een bed is van de allerbeste kwaliteit.

Man: Werkelijk?

Vrouw: En dat zie je toch zo.

Man: Eh…
Vrouw: Wat zegt u meneer de verkoper? Dat er buiten dit bed nog veel meer is? Ja, geweldig hé, ik zie het.
Man: Verder kijken dus.

Vrouw: Wat zei u meneer de verkoper; daar in de hoek? Die robuuste bruinhouten?

Man: Robuust? Moeten we ineens robuust?

Vrouw: Wel erg bruin hoor.

Man: Ja, dat vooral.

Vrouw: Te bruin.

Man: En wel duur ook.

Vrouw: Iets lichters willen we.

Man: Ja, iets lichts. En niet te…

Vrouw: Hé wat zeur je nou? Het gaat om ons bed hoor.

Man: Ja, precies.

Vrouw: Nog vele nachten moeten we er in doorbrengen.

Man: Er in slapen, is dat niet beter gezegd?

Vrouw: Slapen ja, en dát wil ik dan in ieder geval goed kunnen.

Man: Ik had geen probleem in het oude.

Vrouw: Wat zegt u meneer de verkoper?

Man: Goh, dat men in alle bedden kan slapen, die meneer de verkoper toch.

Vrouw: En wat is daar grappig aan?

Man: Niets, helemaal niets lieverd.

Vrouw: Laatst zag ik op de tv een reclamefilmpje over een bed…

Man: Ah, daarvandaan dus.

Vrouw: Het ging over een Zweeds bed geloof ik.

Man: Een zweetbed? Nu ja zeg, daar hoeven wij toch niet meer…

Vrouw: Een ZWEEDS bed!

Man; O, Scandinavisch dus.

Vrouw: Nou, en dat bed daar krijg je wel 25 jaar garantie op.

Man: 25 jaar?

Vrouw: Ja ,geweldig hè?

Man: 25 jaar op een bed?

Vrouw: Jazeker, 25 jaar.

Man: Inderdaad geweldig.

Vrouw: Dat zeg ik.

Man: Vooral als je je bedenkt dat tegenwoordig een huwelijk gemiddeld zo’n vijf jaar duurt.

Vrouw: Ach zeur toch niet.

Man: Zit je mooi met zo’n bed in je maag, nog twintig jaar.

Vrouw: Zéur niet.

Man: Met al die herinneringen lekker zompig nog in het matras.

Vrouw: Wij zijn al elf jaar bij elkaar dus…

Man: Juist daarom, al die garantie, wat moet je ermee.

Vrouw: Goed, zonder garantie kunnen we ook, zoveel doen we…

Man: Lig je nog twintig jaar in de lucht van het verleden.

Vrouw: Ach man, elf jaar, je bent inmiddels te laf om weg te gaan.

Man: Hypothetisch lieverd, het was hypothetisch bedoeld.

Vrouw: Hypothetisch, natuurlijk, hypothetisch.

Man: Zomaar een voorbeeldje zeg maar.

Vrouw: Ja ja!

Man: Omdat het nogal grappig klinkt, dat 25 jaar garantie op een bed met een vaste matras. Ja een vaste matras, ik heb het ook gezien, dat filmpje.

Vrouw: O?

Man: 25 jaar huwelijk in zo’n matras geramd, dat moet dan toch een plank zijn lang voor die tijd?

Vrouw: Nou, bij ons niet hoor, we slapen er alleen maar op.

Man: Al die lichaamssappen jarenlang.

Vrouw: Van al dat slapen?

Man: Welnu, ik vond het grappig tijdens het zien van dat reclamefilmpje, om dat te bedenken bedoel ik.

Vrouw: Ach natuurlijk, hypothetisch, da’s waar ook, verder dan maar.

Man: Nog verder kijken?

Vrouw: Natuurlijk, het was toch gehypotheterd allemaal?

Man: Goed, een wit bed dus.

Vrouw: Luister, meneer de verkoper zegt dat hij iets heeft wat perfect bij ons past.

Man: Verkopers weten zoiets natuurlijk.

Vrouw: Nou ‘k ben benieuwd hoor.

Man: Da’s hun vak.

Vrouw: Gescheiden bedden?

Man: Hm, hun vak dus.

Vrouw: Zeg verkoopman waar zie je ons voor aan?

Man: Voor een langdurig echtpaar wellicht?

Vrouw: Apart, hoezo apart?

Man: ‘s Nachts overwippen, voor de spanning, hm.

Vrouw: Een tweepersoonsbed willen we, anders niet.

Man: Geen overwip dus.

Vrouw: Wat? Zelf maar even rondkijken?

Man: Holadijee.

Vrouw: Lijkt me inderdaad beter.

Man: Gezellig samen dus.

Vrouw: Kom.

Man: Misschien moeten we het nog even wat uitstellen?

Vrouw: Bedden kijken, gewoon bedden kijken!

Man: Goed, al goed.

Vrouw: Daarheen.
Man: Wat dacht je van een héél zacht bed?

Vrouw: Wat bedoel je daar nou weer mee?

Man: Nou, gewoon een lekker zacht bed.

Vrouw: Is ons oude bed niet zacht dan?

Man: Jawel , maar oud, zoals je al weken zegt.

Vrouw: Oud ja, zelfs het opmaken ervan staat me tegen.

Man: Geen probleem hoor om ‘s avonds in een lekker rommelig bed te stappen.

Vrouw: En direct in slaap te vallen.

Man: Tv kijken, dat doen we alvorens…

Vrouw: Dat is precies hetzelfde.

Man: Meestal naar politieseries, daar ben je gek op.

Vrouw: Stel je niet aan.

Man: En als er geen filmpolitie is zap je even de hele wereld langs.

Vrouw: Ja, en jij stort in slaap.

Man: De hele wereld zo aan het eind van de dag is wellicht wat veel hoor en…

Vrouw: Stil, meneer de verkoper roept wat.

Man: Ah natuurlijk, meneer de verkoper weer.

Vrouw: Hulp? Nee hoor, we redden het prima.

Man: Uiteraard komen we er uit, elf jaar huwelijk weet u nog wel?

Vrouw: Kom, moet je dát bed eens zien, gemarmerd wit.

Man: Gemarmerd wit? Ach ja, waarom ook niet? Een voorproefje tot…

Vrouw: Moet je eens kijken hoe mooi. Die nachtkastjes, om te zoenen.

Man: Om te zoenen, ja ja.

Vrouw: En die kast erbij, kijk nu toch eens.

Man: Ja geweldig lieverd, mooie glans ook, dat zal ons naar-bed-gaan enorm verfraaien.

Vrouw: En dat dekbed wil ik er ook bij.

Man: Dat gromvel?

Vrouw: Dat is toch mooi zo’n panterdessin op ons bed?

Man: Natuurlijk, prachtig.

Vrouw: Moet je voelen hoe zacht.

Man: Zappen langs de hele wereld onder een zacht pantervelletje, kan het beter?

Vrouw: Voel nou.

Man: Lekker zacht ja.

Vrouw: Meneer de verkoper!

Man: Moeten we niet toch nog even verder kijken lieverd?

Vrouw: Meneer de verkoper, wilt u even komen?

Man: Waarom zo’n haast ineens?

Vrouw: Dit alles bij elkaar, meneer de verkoper, op hoeveel komt dat ons te staan?

Man: Zoveel?

Vrouw: Mogen we er even op gaan liggen?

Man: Liggen? Hier in de winkel?

Vrouw: Schoenen uit? Maar natuurlijk.

Man: Toe maar, waarom niet gelijk naakt?

Vrouw: Ach, hij wil weer niet. Zou u misschien, meneer de verkoper?

Man: Ja hoor natuurlijk, en meneer de verkoper mag uiteraard de schoenen aan houden.

Vrouw: Doe niet zo flauw man.

Man: Kruip er ook even onder, we willen graag weten hoe het voelt, dat pantervel.

Vrouw: Heerlijk, vindt u niet, meneer de verkoper?

Man: Misschien moet er een televisie bij, even?

Vrouw: Helemáál niet nodig.

Man: O, nu ja ik dacht…

Vrouw: Jij moet gewoon gaan denken aan de prijs.

Man: Zo? Al verkocht?

Vrouw: Ik lig hier heerlijk.

Man: Zie, de wereld van het bed.

Vrouw: Lekker hé meneer de verkoper, zo op een pantervel.

Man: En wat het kost.

Vrouw: We nemen het, ook de kast.

Man: En de kaptafel, lieverd, wil die er ook niet bij? Of liever een nieuwe televisie?

Vrouw: Kaptafel? Waarvoor?

Man: Nu ja, om… Zou je wellicht jezelf voor het bespringen van de wereld kunnen…

Vrouw: Mezelf optutten? Om dan te verdwijnen in slaapogen zeker.

Man: Gemarmerd onder panter met optut, wie weet blijven ze open.

Vrouw: Ja, ik hoor het ook meneer de verkoper, en een telefoon kan men niet laten rinkelen.

Man: Lieverd, moeten we toch nog niet even verder…

Vrouw: Ik roep u wel weer als we u nog nodig hebben.

Man: D’r staan d’r nog zoveel.

Vrouw: Ja, een knalrode, een groene, of die zwarte wellicht?

Man: Nou…

Vrouw: Een waterbed, kan ook natuurlijk, deinen we vanzelf.

Man: Deinen voor televisiebeelden, ach wie weet wat het ons brengt.

Vrouw: Wellicht blijf je dan wakker.

Man: Zapdeinend langs de wereld.

Vrouw: En zeg je weer eens wat tegen mij.

Man: O? Zeeziek zegziek worden?

Vrouw: Of gebeurt er zelfs het wonder van aanraken?

Man: Met het grote vastklampen aan de rand.

Vrouw: Of een zoen.

Man: Zappende lippen onder een zee van pantervel.

Vrouw: En vind je mij daarna wel helemaal.

Man: Waarbij een hitte zich ondoenlijk manifesteert.

Vrouw: Zonder televisie.

Man: Zie de wereld tussen de lakens.

Vrouw: Er zijn ook nog andere winkels hoor.

Man: Eh…

Vrouw: We nemen deze gewoon, mét kaptafel.

Man: Mét kaptafel.

Vrouw: Én pantervel.

Man: Én pantervel.

Vrouw: O lieverd. Verkoper!

woensdag 28 november 2012

Fort Knox?

Wat een mens in zachte geest op z’n minst mag ver-
onderstellen is dat een gemeentebestuur van dorp of
stad er in principe is om zich in de meeste gevallen
gedienstig op te stellen ten behoeve van de inwoners
om de zaken aangaande leven en dood voor betreffende
inwoners zo’n beetje kabbelend tot een goed einde
te brengen via een algemeen aangenaam te beleven
beleid, uitgestippeld door datzelfde bestuur. Niks
mis mee en iedereen tevreden zo was mijn tot dan
toe gedachte in een, toegegeven, door eigen toedoen
niet altijd even kabbelend bestaan

Een tijdje geleden echter mocht ik mij, ter extra onder-
bouwing van een bezwaarschrift tegen een dalduikelend
gebeuren, begeven naar een bijna nieuw onderkomen in
het plaatsje S waarin het hele stadsbestuur zich ogen-
schijnlijk rijkelijk comfortabel heeft genesteld, want als
een hoog en teveel aan lucht wegkapend bouwwerk
zo kon met nauwelijks ingespannen blik al direct het
onderkomen worden bestempeld. Voor de gigantische
hoofdgevel zijn een aantal enorm lange, tot protserig-
heid neigende witte pilaren geplaatst waartegen ter af-
making van het geheel zich in strenge opdracht een
heel groot leeg plein heeft neergelegd. Werkelijk tot
in de puntjes prangt het gebouw zich in de ruimte aan
dat te grote en te lege plein als is het om de verlaten-
heid te benadrukken die beslist onder beide armen mee-
genomen dient te worden bij het betreden van dit flukse
ambtenarenpaleis met opzichtig tikje grootheidswaan in
de gevelgenen. Althans, dat gevoel besprong mij bij het
betreden van de stenen trap die zich passend ferm naar
de voordeur stak. Ene Appie Werpstok zou er grif voor
getekend hebben had hij zich naoorlogs nog wat voor-
oorlogs kunnen uitleven in de grootbouw zo straalde het
pand mij bijna onbeschaamd toe.

Binnen was het niet anders.

Plafonds zo hoog dat ze in het heelal lijken te verdwijnen.
Sommige deuren dik en zo groot dat ze vreemd genoeg
aan te knerpende toegangskaken van diep in de aarde
kwijnende kerkers doen denken. Gangen breed als zijn
het zalen. Lampen hemels als… Nu ja en kortom, de bin-
nenkant is ongeëvenaard dwingend in harmonie getrouwd
met de buitenkant zo was de verpletterende ervaring bij
binnenkomst.

En p-bewakers, die waren er ook.

Achter een halfronde bulkbalie, daar zitten ze, de p-mensen.
Een balie ook die elke voorzichtig opkomende recalcitrant-
gedachte al bij voorbaat de kop indrukt. En mocht er onver-
hoopt toch nog een restje… Dan kraken de vleesdeuren zo
sportschoolbreed dat er een braaf burgerschap direct terug in
de houding springt tussen lijflijk verpakte ribben die al ineen
waren gekrompen van de ervaring zoveel grootsheid te zijn
binnengestapt.

Echter, er was meer.

Ondanks de oproep van de toetsheren om voor die toetsheren
te verschijnen is het de opgeroepene namelijk niet gegeven
zomaar even vrijelijk door het gebouw te dwalen op zoek naar
de kamer der hooggeplaatsten waar het voor mij nogal belang-
rijke oordeel zal worden geveld. Iedere tegen te komen deur
moet met een door genoemde sportlijven geleverd pasje ge-
opend worden om de zo waarlijk eigentijdse Droomduik van be-
stuursdom ook maar verder te mogen betreden.

Zeven zijn het er!

Braaf van de voorgaande balie-overweldiging achter de pas aan-
schuifelend nam ik ze, de deuren. Om vervolgens mijn bezwaar-
schrift tegen de al eerder vermelde diepdaling in niet minder
dan tien minuten te zien verschrompelen naar niets onder de
handen van de zeer aanwezig zijnde potentaterende toetsheren.
En dat uiteraard in een kamer lekker helemaal opgewarmd naar
zeer indrukwekkend heus wel mooi. Ja, rap klaar waren ze, de
heren, met hun toetsje op mijn bezwaar. En ook mocht ik erg te-
vreden zijn, aldus de zo uitverkoren kamerkoningen met toefjes
hogevluchtlucht in de pronkborstjes onder unipak.

Een leeg plein beschoend, opgeslokt door een gebouw met spier-
alures, een flink aantal deuren ontsleuteld en wonderbaarlijk snel
weer bij de bulkbalie met lege handen, dat was het resultaat van
mijn bezwaarinitiatief. Precies 25 minuten had het geduurd die he-
le sessie, 10 minuten onderhoud en een kwartier voor in en uit.

Het pasje heb ik, ondanks de zeer nadrukkelijke eis tot inleveren,
zo sommerend gekomen uit de bewaakpakken, in protest gehou-
den bij het verlaten van ‘t gebouw. Wel danig brandend in mijn jas-
zak hing het, de stoffen ruimte van de zak vullend als beleefde het
opnieuw het net betreden bewaakte té onderkomen van het stads-
bestuur.

Een zee van plein trad mij een ogenblik later voor de tweede maal
leeg tegemoet, de siddering uit mijn lijf vangend als was het de prijs
voor een toch nog bijzondere overwinning, het bewijs ervan brandend
in mijn jaszak.

dinsdag 27 november 2012

Huidschilfers (slot)

Een zwaar geluid ronkt uit de openstaande mond. Rook kringelt omhoog langs de stoel. Een kamervullende schroeigeur. Rinkelend vallen de flesjes op de vloerbedekking, Frans grijpt de sigaret en trapt op de schroeiende plek. ‘Hans!`
‘W…, wat, moet ik nou al weer werken!` Doodsbenauwd schrikt Hans wakker uit zijn zwoegende nachtmerrie. ‘Ik eh… ik ben net klaar,` hij schudt zijn hoofd. ‘O,` zucht hij en zakt terug in de stoel als hij Frans herkend heeft.
‘Hans je steekt de boel in brand.`
‘Bier!` Zonder naar de plek te kijken grijpt Hans een flesje van de vloer. Voor hij een slok kan nemen zwaait de kamerdeur open.
‘Aha, ik dacht wel dat je hier zou zitten,` Martin stapt binnen. ‘De deur van je atelier stond open,` hij snuift, ‘brandlucht,` zegt hij onaangedaan. ‘Nog steeds met haar bezig,` hij kijkt de kamer rond, ‘ik heb dat steentje zien staan.’
Zonder op Martin te letten neemt Frans een haal van de sigaret. ‘Je moet hier mee uitkijken,` zegt hij tegen Hans en geeft hem de peuk terug.
‘Je hoeft alleen nog haar naam in het steentje te beitelen,` gaat Martin door en zakt op een stoel, ‘en je hebt een prachtig mausoleum voor haar gecreëerd.` Hij pakt een biertje.
‘Leuk beeld, heb je nog meer?`
‘O ja hoor, galerie van obsessie bijvoorbeeld,` Martin grinnikt, ‘zou ook prachtig klinken.`
‘Hou jij je nou maar bij het geschutter met woordjes.`
‘Boos, boos, boos,` zoemt Martin en neemt een slok.
‘Laat jij eerst zelf maar eens wat zien,` Frans kijkt Martin aan, uitdagend.
De ogen van Martin schitteren, ‘heb je mijn gedichtje niet gevonden?`
Ah, hij heeft gezien dat zijn briefje weg is, hij zag het aan zijn gezicht.
‘Mijn angst, ik heb je de essentie van mijn angst gegeven,` met zijn woorden zwiept ook het flesje door de lucht, ‘weliswaar in mooie woordjes maar het is wel de essentie.`
‘Mooie woorden inderdaad, mooie lege woorden.`
‘Ziekenzaal,` zegt Martin scherp, ‘zou ook nog kunnen.`
‘Niets zal mij weerhouden, zelfs u, o hooggeleerde dichter, stopt mij niet.`
Hans, omhoog geborreld uit zijn roes, zet met een harde tik het flesje op tafel. ‘Waar lullen jullie over,` vraagt hij beledigd. ‘Mausoleum?` hij slaat met een hand op de leuning van de stoel, ‘wie is er dood?`
`We nemen nog een slok,` roept Martin en schiet in de lach
Een aanstekelijke lach, ook Hans begint te schateren.
‘Jullie mogen ook mee.` Hans glundert nu, denkt weer aan zijn bootje, ‘gaan we lekker door Europa varen.` Hij maakt met zijn hand een golvende beweging, uit de sigaret die tussen zijn vingers steekt kringelt rook als uit de pijp van een schip. ‘Zie je wel,` zegt hij en kijkt naar de rook, ‘mijn boot.`
‘Alleen als er meeuwen boven vliegen Hans.` De lach om mond van Martin duikt weg, ‘alleen als er meeuwen zijn ga ik mee in jouw bootje.` Plots ernstig geworden staart hij naar de golvende hand.
‘Iedereen mag mee,` roept Hans enthousiast.
‘Ja de hele wereld in een bootje,` Martin zucht en blikt van de een naar de ander.
‘Als je jouw poëtische adder maar thuis laat`
‘Ader,` de schittering is terug, ‘poëtische ader is het Frans.` Schoolmeesterachtig kijkt Martin hem aan.
‘Nee, ik bedoel precies wat ik zei.`
‘Adder of ader,` brult Hans, het geloof in zijn boot groeit met de seconde, ‘alles mag mee, laten we nog wat bier gaan halen,` gaat hij in een adem door, ‘gaan we het nu alvast vieren,` zijn hand graait over de tafel, ‘ik heb nog wat hasj.`
‘En dat steentje,` zegt Martin zonder op Hans te letten sarcastisch, ‘laat je dat ook achter?` ‘Geen adder, geen steen.`
‘Meeuwen boven ons en dan toch met lege handen in een bootje,` langzaam staat Martin op, ‘klinkt erg aanlokkelijk moet ik zeggen.` Er komt een glimlach om zijn lippen, hij raapt een paar lege flesjes van de vloer, zegt, ‘ik ga wat biertjes halen.`
‘Ja laten we er maar op drinken.` Frans zwaait met het laatste flesje naar Martin, ‘neem het hele kratje maar mee.`

Huidschilfers (4)

Als lood nu, de warmte in de kamer. Ook de spiegel smeet een verwijtende leegte de ruimte in. ‘Verdomme, altijd die hem eeuwig verscheurende beelden.’ Kwaad wordend op zich zelf liep hij, om die beelden kwijt te raken, naar het raam. ‘Waarom, waarom?’

De zon smeet met behulp van de omringende flatgebouwen grote donkere schaduwen op de straat. Aan de overkant zat een al wat ouder echtpaar op een balkon voor zich uit te staren. De rode kleur van de huid en het zweet dat bij de man langs zijn gezicht droop toonden dat ze er al een tijdje zaten. Ze keken elkaar niet een keer aan, de echtelieden, spraken geen woord met elkaar. Gesprekken, dacht hij en bleef naar ze kijken, door vele slepende jaren niet meer mogelijk?

Gestommel! Alsof er niet iets van een knallende slaapkamerdeur gebeurd was liep ze op blote voeten de kamer in, vroeg, ‘wil je iets drinken?’ Zonder zijn antwoord af te wachten verdween ze de keuken in. Even wilde hij, maar zag het venijn weer en draaide zich terug naar het raam.
De man was nu alleen, met een grote zakdoek veegde hij het zweet van zijn hoofd. Opeens gingen zijn kaken wijd uit elkaar, waarschijnlijk een schreeuw. De vrouw verscheen, verdween weer, kwam even later met een groot glas bier te voorschijn, zette het net wat te ruw op het tafeltje en liep direct weer naar binnen.

Gerinkel uit de keuken begeleidde de geluidloze film op het balkon.

Ze kwam niet terug, de vrouw. Met grote slokken dronk de man het glas leeg, staarde weer voor zich uit, merkte waarschijnlijk niet eens dat hij weer alleen was. Een vermoeid huwelijk, voortstrompelend?

Een kleine minuut bleef hij nog staan kijken, ‘hét perspectief.’ Hij probeerde hij een plots opkomend gevoel van onbehagen weg te lachen, haalde dan zijn schouders op, liep weg van het raam. Op de kussens van de bank gezakt luisterde hij naar de geluiden in de keuken; nog steeds gestommel, gerinkel van kopjes. Een blauwe beker werd even later met een harde tik op de salontafel gezet, en zij plofte op de bank. Languit op de kussens liggend schoof ze haar blote voeten op zijn schoot. `Wil je kriebelen?` Ondeugend vroeg ze het. Als een klein niets gebeurd meisje. Ze bewoog haar tenen en wreef de voeten op zijn schoot tegen elkaar. Hij pakte ze vast. Behaaglijk strekte ze zich uit en deed haar ogen dicht. Het echtpaar van het balkon verdween in haar wriemelende tenen.

Zijn wang is koud als het serpentijn. Alsof hij haar voeten beroert strelen zijn vingers een hoek van het massieve blok. `Bier!’ Het echtpaar, de wriemelende tenen, alles is al grotendeels uit zijn gedachten verdwenen als hij zijn wang van het koude steen trekt. Uit het kratje grist hij vier flesjes.

Huidschilfers (3)

Het serpentijn glanst de ruimte vol.

“Nee geen ruw blok,” had hij gezegd.
“Gepolijst moet het zijn, vierkant en gepolijst.”
Alleen daaruit mocht ze te voorschijn komen, dat kon niet anders.

Zijn ogen dringen de glans terug, en ook nu hier bij de zuil voelt hij weer hoe destijds zijn spieren samentrokken op het moment van aanbellen. Hoe de deur direct was opengezwaaid alsof ze op hem had staan wachten, blikkend met ogen die deden of ze niets meer wisten van de afgelopen dagen. Vol twijfel was hij in de hal blijven staan. `Kom,’ nog wat wit van de slaap had ze hem over de drempel getrokken.

Direct liep ze in de woonkamer naar de spiegel, speels. Hij, op de bank gezakt, kon niet meer dan toekijken. Ze leunde tegen de muur, aan iedere kant van de spiegel een hand, ging op haar tenen staan waardoor haar korte nachtjapon naar boven schoof, tot boven het zwarte slipje. Even later zakten de hielen van haar kleine voeten terug tot op het tapijt. Met een duwtje zette zich af tegen de muur. Haar handen gleden naar haar billen, voorzichtig stak ze twee vingers tussen de elastiekjes van het slipje, trok de stof langzaam over haar billen strak. De nachtjapon viel, op het moment dat haar handen van het slipje gleden, terug tot op de bovenkant van haar benen, bedekte weer het stukje zwarte stof. Een paar seconden liet ze het effect van wat hij net gezien had hangen in de kamer. Droog slikken, ze hoorde het, draaide zich om, liep naar de bank, bleef met iets gespreide benen vlak voor hem staan, keek hem aan, streelde haar lokken. Ook nu kroop de nachtjapon naar boven. Verder uiteen schoven haar voeten. Even wachtte ze, liet het duren. Geen beweging in hem. De brutale uitdrukking verdween, ook de glimlach drong zich dood in plots veel te smalle lippen en voor hij het besefte beende ze met van drift strakke heupen weg. De bezige handen van daarnet trokken nu onder het lopen fel de zoom van de nachtjapon zover mogelijk naar beneden. Een deur klapte slaapkameronvriendelijk dicht.

Huidschilfers (2)

’Nee, dat doe ik echt.’ Troebele ogen staren in verre verten. Hans ziet wat hij net geschetst heeft opdoemen, steekt langzaam de joint in zijn baard, zuigt hevig, ademt de rook in, wacht vijf of zes seconden, klapt dan voorover in zijn stoel. Als bij kleine ontploffingen schiet de rook tussen zijn lippen vandaan; iedere hoest lijkt ook werkelijk een explosie. Al snel zonder adem blijft hij toch tot het uiterste lucht uitstoten, zijn lichaam in elkaar krimpend, als wordt alles van binnen vacuüm gezogen, tot het moment dat het onvermijdelijke luchthappen begint, dan pakt hij snel het lege melkpak dat naast zijn stoel staat en spuugt er een grote fluim in. Zonder schaamte, alsof hij alleen is. ‘Dat ga ik echt doen,` begint hij na een minuut amechtig rochelen opnieuw en steekt de sigaret weer tussen zijn lippen, ‘volgende week stop ik er mee.` Zijn woorden stromen met de rook uit zijn mond. ‘Dan ga ik werk zoeken en…` Hier stokt zijn stem even alsof hij op een moeilijkheid stuit, lijkt het of hij een paar tellen diep nadenkt, ‘en dan ga ik een bootje kopen.` Weer valt hij stil, kijkt verbaasd in de zo witte toekomst. ‘Als ik maar een vriendin had,’ zegt hij even later beduusd en staart naar de lege flesjes op de vloer. ‘Maar als ik een bootje heb willen ze vast wel mee.’ Er glinstert wat hoop achter de brillenglazen. Een nieuwe lading rook vult zijn longen. ‘Ja dan gaan we samen de wereld rond varen maar eerst…’ Opnieuw lijkt hij op een onoverkomelijk probleem te stuiten, schopt een paar lege flesjes voor zijn voeten weg. ‘Eerst werk.’ Een tweede fluim wordt in het melkpak gespuugd. ‘Kijk,’ zegt hij en pakt een papier van het ronde tafeltje, ‘een oproep van de sociale dienst.’ De brief trilt in zijn handen. ‘Voor de banenpool.’ Hij knijpt in het blaadje als is hij bang het papier kwijt te raken. ‘Ze hebben mij uitgekozen.’ Een glimp van trots verschijnt er boven de zwarte baard. ‘Zal ik nog een paar biertjes halen?’ Half staat hij al overeind, wijst naar de voordeur. ‘Nee wacht maar Hans, dat doe ik wel.’

Huidschilfers


Het oog, in de kalk op het raam gekrast, is nog de enige schakel met de buitenwereld.


Wordt vervolgd.

maandag 26 november 2012

Polderleed

Een val.

Ik gooi mijn ogen open.
Gesnuif uit twee donkere gaten vlak boven mij.

Een erg ruw voorwerp schaaft schurend.

Half wakker kijk ik tegen een groot nat stuk onbestemd
dat als een lange roze lap telkenmale vanuit de hoogte
flikkert en met lange halen de uit de slaap geraspte huid
raakt.

Al snel doen wangen, neus en een deel van de mond pijn
als lijkt mijn gezicht een uurtje of zes aan een zon over-
geleverd te zijn geweest die met zijn dikke stralenkont
eens stevig op m’n slaapdommel is gaan zitten in vreug-
devolle zomerhuppel met een speels genot van zalig lui-
eren.

Boven de onbestemde natkwak kijken onschuldig lijkende
ogen mij aan, de lange tong nu om een pluk gras geslagen
nadat ik van de kwak was weggerold in afgrijzen van een te
grote kop en vooral die ogen. Even wacht het dier, scheurt
dan het gras los en begint te malen, in het geheel niet ver-
baasd nu iets anders op de tong te hebben.

Het te trage stuk natuur stopt met de grasruk als ik rechtop
ga zitten, gooit de zware kop de lucht in, loopt een paar meter
bij me vandaan, tilt de staart op en gulpt een flinke straal tus-
sen de achterpoten het gras in als wil het dier zeggen: jij?, ook
hier hoor je niet te zijn.
Ik blijf.
Het polderlandschap, loom ligt het onder een zonlicht dat niet
clichématiger had kunnen schijnen dan nu het geval is. Geen
mens ook te bekennen. Hier en daar knallen alleen groepjes
koeien uit de weilanden. De koppen naar beneden hangend
alsof de beesten zich groepsgewijs krampachtig met hun tong
aan de grasmat vastklemmen waarbij zware uiers hun bescheten
achterpoten op de grond gedrukt houden. Zelden kijken ze met
hun grote ogen een moment omhoog. Slaan met de staarten te-
gen hun flanken, bewijs van leven. Schudden soms hun kop als
zeggen ze: dit hier is wel genoeg. Zwaluwen schieten boven de
polders een voor die kleine vogels onbehoorlijk eind de lucht in,
vliegen schichtig alle richtingen uit, lijken nerveus over zoveel
lijdzaamheid daar beneden. Vlieg, vlieg, vlieg, suizen hun spitse
vleugels tegen de koeien, stijg op en vlieg en vlieg en vlieg! De
gehoornde koppen echter, ze blijven naar beneden hangen, de
tongen rukkend aan het groen, de gedachten wellicht bij de boer
die hen straks zal bevrijden van de inhoud van hun te zware ui-
ers. Maar dan is het te donker om te vliegen zo fladderen de zwa-
luwen. Tevergeefs. Onverstoorbaar drukken de graaskoppen de
snuiten nog verder naar de aarde, schudden, rukken en snuiven
minachtend over de dwaasheid van de luchtspurtende zwaluwen.
Dan zijn ze er plots.
Ze dringen zich tussen het door mij zo beleefde polderse wél en
niet bewegen, de woorden: “Wat zien we.” “Wat kunnen we zien.”
“Wat willen we zien”
Ze laten zich gelden in mijn hoofd als om…
In de verte steekt een kerktoren boven bomen uit, trilt in de warm-
te, of het bouwwerk ieder moment kan instorten, een lege plek op
de horizon achterlatend, even maar, zolang de herinnering wil du-
ren, daarna zal er niets gebeurd zijn.

Nog voor ik rechtop sta na de gedachte hier zo snel mogelijk weg
te moeten, storten zeker drie van die sprietdelvers simultaan hun
restjes verbruikte grasvraat terug op de uitbundige groengroei, on-
verstoorbaar, alsof er nog even onbevangen en fijntjes benadrukt
wil worden dat ik hier inderdaad niet hoor te zijn.

In het voorbijgaan schop ik tegen de uiers van een van die graas-
toestellen. Hooguit een extra staartzwaaitje is het resultaat. De tra-
ge graspluk wordt niet eens onderbroken.

‘Wat willen we zien.’

Woorden al bijna volledig weggezakt in gemompel boven passen
wellicht te groot voor polders.