maandag 29 april 2013

Brief (114) uit Schiedam

Met nog net open ogen kijk ik op mijn horloge en zie dat het al
bijna middernacht is en dat doet me weer beseffen dat ik al een
stevig jaar niets nieuws heb geschreven dan een diggie of twee
en hooguit drie van deze brieven uit Schiedam.

Er zijn dichters die per jaar minder poëzie maken, er zijn mensen
die in hun leven helemaal niets gaan schrijven dan het noodzake-
lijke (boodschappenbriefjes of anderszinse krabbels) om door het
leven te geraken op een voor hen, ondanks dat schrijfloze, welda-
dige manier.

Dus ga ik morgen per fiets de omgeving pal buiten mijn voordeur
(waarachter dus niets is geschreven het afgelopen jaar) mijn van
het binnenzitten toch wat muffe adem laten ruiken om door mid-
del van die mondmuf aan wat er zoal rondscharrelt daar buiten
's stevig te laten weten dat ik heus nog een mootje fietsen kan.

Een gescharrel overigens waar ik absoluut niets mee heb dan dat
het soms noodzakelijk is iets uit dat gedoe gedaan te krijgen om
mij een binnenvaartje verder te helpen met een leven waarin de
nu stilstaande schrijverij weer tot een dik pak geschreven woord-
en zal komen.

Toe maar Spaland, een dik pak nog wel.

Goed goed, 50 velletjes mag ook al heel wat zijn, ik ben de beroerd-
ste niet. Wellicht ligt daar mijn minvijver. Dat ik de beroerdste niet
ben bedoel ik. Als schrijver moet je dat nu juist wel zijn wil er iets
anders uit je komen dan bijvoorbeeld een versje als dit, ooit ver in
de tijd door mij in een toen al bui van beslist een beroemd te word-
en schrijver geschreven:

over de dood van een tuinman of zo


pot

sier
lijk as
in steen
zo
weerloos
zon
der bloemen

zo

eerloos
in een urn
naar het hof
van
louter
stillen

waar doden

noch jouw bloemen
leven willen

Heel gebruikelijk voor een beginschrijver hoor, zo'n versje met bloemen
en dood en zo, maar het is wel zonder de vetpuf die je als dichter heden
ten dage in het versspul moet stoppen om de wenkbrauwen van een lezer
nog een milimeter te doen optrekken richting de haargrens.

Laat ik eens vetspullerig gaan doen en hier een versje schrijven waarvan
mogelijk de wenkbrauwen tot aan de nekharen zullen schieten zodat de
lezer even niet meer weet dat er ook nog een bestaan is buiten het door
hem net gelezen vers.

Juwelen / buitencategorie


een gevierendeeld viooltje

haar muziek al jaren kwijt
ligt op straat te eh janken

maar de goten blijven stok

een etalage bulkt speels uit
stoeptegels roepen donders
zijn aan hun schik gestoord

een kind tekent tegelkruisjes
de duif min tenen op de nok
aan zon nipt vreselijk blauw

velen dragen stenen in tassen

krijgen hoofden als een krot
schoenen slobberen het zweet
huid die zich niet meer weet

in het park hossen borsten

de vijver doet een rimpel
en bomen flossen de lucht

een gevierendeeld viooltje

het ligt op straat te janken

Zo, dit door mij in twintig minuten geschreven versje doet het eerste
versje toch wel verbleken tot een iel bloedblaartje zonder bloed. Zo-
dat hiermee kan gesteld dat het zo erge stille jaar van niet-schrijven
wellicht tot een een einde zal raken.

EINDELIJK!!!!!!

Eindelijk ja!

Daarom hupsake komt er nog een out of te bleu, om te bewijzen dat
een schrijfloos jaartje niet per se het einde hoeft te betekenen van een
oerend obsessief gerotzooi met woorden op wit.

Meesterwerk


foto's van dode mensen

giet ik hier in dit tekstje
manipulatie is een vak

is de term held nu van toepassing?


en dan glipt het weg

in de massa en toch
ben ik aangedaan om

bijna alle verhalen staan in het teken van verdriet

ook de banken willen liefst terug naar hoe het was

ik voer de foto's zwart


(een nieuw experiment

met een scheutje inkt
tegen al het houdwerk)

ik gniffel niet langer


te guur om waar te zijn

raak ik mijn durf kwijt
in een ander verhaal

onder mijn kapsel droom ik grote

stappen
want met lang al doden speel je niet

EN OOK OFWEL (eindsnufje ter ondersteuning van de hele zaak):

Ars poëtica


Niets meer doe ik

Dan het droppen

Op papier


Van woorden

Die
Elkaar verhangen

vrijdag 21 december 2012

Brief (113) uit Schiedam

Zo net voor de kerst in een bezinning terecht te komen.

Dat zal!

Het is een bijna voorgeschreven wet.

Maar wat als je daarvan verschoond wil blijven? Er geen denne-
tak mee te maken wil hebben? Je het leven eigenlijk genoeg aan
leven vindt hebben? Of in ieder geval zoveel om er niet ook nog
eens een zakje gedachten over uit te schudden?

Zal de hele bubs, wellicht danig geleefd, nog eens moeten her-
beleefd in een denkbakje bezinning zo rondom het feest? Een
bezinning ook die je een beter mens zal moeten doen voelen
waarbij men het leven beter of zelfs uitermate goed zal kunnen
lezen? 

Wat mij betreft niet!

Wel is het natuurlijk zaak om de boel rondom deze tijd wat op
een bergje hoop te zetten.

Maar eerst even een gedicht, om warm te lopen:

Hippe jurk zonder knopen

als de regen komt

de motorkap klemt
ratten plots in spleen doen

er verse eieren zijn
er ook broodjes zijn
en veel haas op doorzichtige tenen

de honger echter uitblijft
alle fietsers autorijden
het bankstel in lichterlaaie staat

als
als dit
als dit nu

als dit nu eens waar mocht zijn en
ik toch een liederlijk bebloemde
jurk aantrok is er dan sprake van
zelfhulp of zal de haas met huid en

haar

zich toch een haas blijken
                                                     
A
ls je dit versje aan een mens laat lezen, als warme boter
natuurlijk. Maar of het tot bezinning komt? Een bezinning
bijvoorbeeld over hoe je het heelal moet zien, de wereld,
het land, je stad, je buurt, je straat, je eigen leven, of mis-
schien wel een ziedende bezinning over hoe je eerste ver-
liefdheid wél had moeten zijn, een verliefdheid overigens,
die je mooi nooit meer vergeet zo zegt men gevraagd als-
ook ongevraagd altijd heel reup met een blik van verlangen
waarvan de ogen dus heel raar gaan staan, net of men vanuit
een poel gevuld met zwarte olie opkijkt naar iets wat er niet
meer is maar toch nog bestaat.

Graag wil bestaan mogelijk zelfs.

Dat is wat mij betreft geen bezinning.

Dat is geniks over niks.

Stel dat ik die bezinning toch aanvang van zo'n eerste verliefd-
heid, maar dat hele ding al lang vergeten ben. Heel die olieogen-
ramp niet op de rol kan krijgen. De rest van mijn leven en ook de
verlichte periode van kerst in dit opzicht geheel zonder zal moeten
doorbrengen.

Is dat dan een ramp?

Ja zult u wellicht zeggen.

Nee zeg ik.

Want zie nu toch eens dit gedicht over bejaard zijn:

Een bijzonder grappige situatie

muziek stuit op
nooit ingeschakeld hoorapparaat
want de bovenste steen mag wel


weer onder

op late stemming in de plots nieuwe kamer

waarin
een riem tegen wegvallen
een inrichting vreemd
een deuropening nieuwe gezichten


raam onbekend

heus niet altijd donkere lucht

wel al meer zwaan soms

bij veel muur
in het hoofdvertrek gezet


Dan stel je toch: Bezinning?

Je knalt gewoon bij ouderdom een paar zwanen in je hoofd voor
de muur en hup het rampje is gewassen. Weliswaar moet je wat
aan de vreemde inrichting wennen, maar hel, die zwanen maken
alles goed.

En zo ook is er altijd wel een zweempje hoop ergens uit te peuren
zonder direct alles op een oerend diepduikende bezinning te gooien.

Zelfs uit zoiets als de kerst.

Ofwel: de onderste steen hoeft niet steeds maar boven.

Of toch wel?


Brief (112) uit Schiedam

Als koeien geen melk meer willen geven ga ik veelal
liggen op de bank om een kopje fijnthee te drinken.
Het koekje erbij gedacht, want zuinigheid met vlijt
spuugt klontjes groen in de soep. Ook de lepels die
de zee willen lepelen in deze wil, náár van apathie,
zijn een kweldaad waarbij een mens toch maar even
zijn…

Slecht begin.

Ander begin.

Als de koeien veel melk willen produceren is er niets
aan de hand en hoef je die ook niet aan jezelf te slaan.
Alles is dan zowel pais als vree, want melk schijnt een
zegen voor mensen die verre staan van oorlog en als
gevolg daarvan in staat zijn het vee een flink opleukje
in het graasleven te bezorgen waarvan dan nog meer
scheuten melk komen dan normaal al fiks het geval is
te zijn en...

Goed, tweede ander begin.

Hoe zou het zijn als er uit ballen melk in plaats van sper-
ma zou komen, zou de wereld er dan eenvoudiger uitzien?

Derde ander begin.

Voetbal is…

Vierde ander begin.

Als ik hier nu eens een gedicht zet, zou het dan helpen die
koeien en dat sperma alsook het voetbal te vergeten? Zo’n
gedicht over hoe een mens gelukkig wil zijn, maar van het
streven ernaar meestal zeer ongelukkig wordt?

Iets van:

Zoettocht

het spek hangt voor het raam
en de hond in de kennel slaapt
ook wordt het tuinhek betast

door de maan

er kruimelt vet uit

de schoorsteen redelijk sfeervol
het grind wordt ‘s nachts ontgrind
voetstappen gaan er niet komen

onder de groots gebreide sprei wordt het kussen zacht geleukt
 

later russelt er thee op een pitje

h
e
t
zeil aait ons een loer

maar de thee russelt zacht op een pitje

Nu ja, vijfde ander begin.

Nog meer ander begin?

Ja want God deed het toch zeker ook met zeven dagen. Al
was de zevende dag wel een rustdag, want heus een arme
overwerkte man, een heel scheppinkje doen in zes dagen
dat is niet niks, daar moet een overvolle luierdag tegenover
staan. En zo ook wilde Hij dat, uitermate empatisch als ie is,
voor de mens, zo’n vrije dag. Ja, heus lief van hem. En het
is voor ons als nietig mensheidje toch mooi wel even hemels
zo’n vrije zondag. Hoewel Hij dan wel, als de baas van onze
schepping, die godganse dag door moet worden geëerd. Ha,
dat heeft IE wel zo slim bedongen als prettige voorwaarde
voor die schepping.

Hij wil er natuurlijk wel wat voor terug.

Hij is gekke Henkie niet.

Een vreugdevolle bijkomstigheid is dat door hem lekker
fiks te moeten eren er op zo’n vrije dag geen al te vuige
gedachten in de mens varen.

Maar zeg hé, van koeienmelk tot God?

Ik vind zoiets wel logisch hoor, melk is wit en God is wit.
Al kan je dat alleen bij de melk empirisch vaststellen. Van
die zesdaagse schepper moeten we dat maar gewoonweg
aannemen. Ook dat heeft Ie goed en slim bedongen, dat we
zijn witheid voor waar moeten aannemen. Er zelfs in hebben
te geloven want anders zwaait er gvd wat.

Wat blijkt uit dit alles?

Gods wegen zijn toch niet zo ondoorgrondelijk als altijd maar beweerd wordt.

En hier zou eigenlijk nog een zesde en zevende ander begin moeten komen.

Maar die heb ik even niet.

Ja zeg, ik ben God niet.

Ofwel

Brief (111) uit schiedam


Zag vanmorgen vanuit het keukenraam, terwijl ik met
mijn suflijf nog half in het nachtgebeuren wijlde, hoe
twee mannen in de tuin van de buurman meer dan
een fikse top van een blauwspar afzaagden en de rest,
tot zo’n 2 meter boven de grond, lieten staan.

Vreemd, zo’n kaal stammetje boom.

Een beeld om de dag lekker mee te beginnen.

Want hoe men toch tot zo’n besluit komt. Zeker in
een gebied waar groenlongen oerendhard nodig
zijn. De Botlek namelijk spuit ongebreideld via lange
pijpen ongezonde walmen de lucht in. Soms ruik je
het zelfs via hels gesloten ramen de neus binnen-
stromen. Een walm waar het ding snel al te vol van
is en weigert voor iets anders nog dienst te doen de
rest van de dag.

Vast een paar onbedaarlijk lieve tuinmannen die in de
weer zijn gegaan op een moment van plotse verveling,
daar niet mee overweg konden, toen dat topidee kregen
tot bomensloop zo wubbelt het in mijn nog immerse
nachtlijf dat zo ruw en vol groenbraak de dag werd in-
getrokken.

Niet dat ik erachter zal komen. De mannen waren weg
voor ik genoeg ochtendadem bijeen had gevonden om
naar buiten te lopen en ze naar het waarom en wat te
vragen.

En hoe een mens (ik) toch maar mooi zijn leven weet
op te vullen met een onbenullig boompje waarvan het
hoedje is afgehaald terwijl er alleen een prutbeetje zon
voor nodig is om ongebreidelde aantallen van die groen-
dingen weer explosief uit de aarde te laten knallen.

Maar genoeg gegroend.

Tijd voor wat rood nu, want heb je ooit wel eens met
je hoofdharen onder je arm in wind gelopen? Of met
gespreide tenen geprobeerd water tegen te houden dat
over je televisie loopt? Met je buik gepoogd een eend in
het water te duwen? Met één potlood een 20 kilometer
lang gedicht geschreven? Ook gras maaien met een
boek zeker nooit geprobeerd? Jammer, met een kale
schedel door de wind lopen voelt als god die met een
hand dwingende petsen voor je eventuele ongelovige
kop geeft. Ook je televisie redden van water heeft toch
iets van een noodzaakje en een glad gazon voor je
huis is natuurlijk het summum van bevrediging. Uiter-
aard kan je dit alles laten en een stevig portie patat in
je buik denken (ook een bevrediging) daarbovenop
nog een metertje frikandellen en een torentje bamihap-
jes om de ‘hongerzaak’ wat af te dempen om je daarna,
daar je nu vindt dat er teveel vet in je buik is geslagen,
op te knopen aan de dakrand van je huurhuis. Maar dat
is zoals gezegd jammer want voornoemde ervaringen
zijn veelal van een schoonheid dat zelfs de kunst erbij
in het niet valt, een uitgewrongen zemen lapje zelfs is
die kunst naast het lopen met je hoofdhaar onder je arm
in de wind, of die gepreide tenendam et cetera. Heus pis
eens met een fikse straal door het raampje van een auto
de bekleding lekker nat, het liefst de auto van je buur-
man en nog beter is het als ie er nog in zit. Je zal zien,
een en al schoonheid wordt zo’n bomenslopende buur-
man dan.

Brief (110) uit Schiedam

 

Raar ding eigenlijk, een brief die je naar niemand
én tegelijkertijd naar iedereen digiteert via het zo
beter dan het bloed kruipende net waaraan indivi-
duen bij tijd en wijle hangen die je nog vreemder
zijn dan het eerste ‘t beste grassprietje op wille-
keurig welk weidje ook. Van gras weet je dat het
groen kan zijn. Of stervensgeel als het weer een
beetje meewerkt. Van die nethangers heb je dus
mooi geen idee. Natuurlijk hoop je op slim spul in
het wereldwijde web, spul dat een beetje op eh
zuur in de weer kan zijn, dat alle kleuren van ooit
bestaande regenbogen op kan jongleren. Spul dat,
kortom, je heel graag als lezer zou willen wensen.
Want er zal en moet gepend (in ieder geval door
mij van mij), al heb ik, zoals wel vaker, geen idee
waarover op dit briefschrijvelijke moment ook maar
te schrijven.

Geen inspiratie zogezegd.

Tot mijn vreugde hoorde en zag ik kortgeleden Nel-
leke Noordervliet in een of ander kunstprogramma
met stelligheid het aloude en tot in de naad van het
hemd van iedere schrijver bekend geacht feitje be-
weren dat je even nooit op inspiratie moet gaan zit-
ten wachten, want lieve amateurs dat komt gewoon
niet. Arthur Japin, die naast haar zat vanwege een
jurygebeuren, knikte heel wijs bevestigend op de
uitspraak van Nelleke. Voor mij nog meer reden om
op zál verder te schrijven. Zo’n Arthurknikje namelijk
wil ik graag in de liefst niet meer zo verre toekomst
ook wel ten beste kunnen geven op de teleschoon-
bak. Dezelfde bak, overigens, waarop ik niet veel
later ook Nico Dijkshoorn kon bewonderen bij Pauw
& Witteman omdat hij het boekenweek-essay zo-
waar zomaar heeft mogen schrijven en waarover
Coen Peppelenbos wel zo’n positiefelijke recensie
schreef dat zelfs ik zin heb gekregen om de essay-
bundel “Verder is alles goed” in de boekenweek aan
te schaffen voor die luttele 2, 50.

Nico wordt zwaar onderschat middels al de tekstjes
die hij in half onverstaanbaar Amsterdams mag brab-
belen bij De wereld draait door volgens C P in dezelf-
de recensie. Hij is ook een snoeiharde essayist aldus
nog steeds C P. En ja, na dit sta ik natuurlijk tot onder
ook mijn oudste hoed open voor een draai van 180 gr-
aden.

Maar genoeg hig-brow wel weer.

Nu even lekker uit de allerindividueelste navel pulken.

Ik namelijk, ik drink koffie waarin melkpoeder zál. Veel
melkpoeder, anders is het aan mij niet drinkbaar. Het
moet lekker slap die boel. Ofwel, mijn koffie mag voor-
al niet teveel naar koffie smaken. Het is bijna zoiets als
met de waarheid, die mag ook niet teveel naar waarheid
smaken, daar wordt ze, net als koffie zonder melkstof,
maar bitter van veelal. Waarheid, daar moet een beetje
water bij, daar moet een vleugje onwaarheid in zitten,
wat spatjes om de sjeu zo gezegd, pas dan wordt ze
soepel verteerbaar.

Er zijn mensen die zeggen dat dé waarheid niet be-
staat. Dat zijn vast net zulke koffiedrinkers als ik, met
héél véél melk(poeder). Overigens, over de boeken-
week gesproken, ik hoop dat het weer bewaarheid
gaat worden dat ik en anderen met het gratis boeken-
weekgeschenk van dit keer de Belg Tom Lanoye ook
dit jaar gratis kunnen treinen. Het is de enige keer in
het jaar dat ik met de trein ga. Want zoals mijn over-
leden vader altijd placht te zeggen dat ie de griepprik
wil omdat ie zo ontzettend gratis is, zo neem ik dus
één keer per jaar de trein omdat ie… Trouwens al die
te kopen boeken voor zo’n gratis reis zijn heus duur
genoeg. Ik koop er nogal wat in de boekenweek ieder
jaar. Voor een gratis boek namelijk heb ik, opvoeding
waarschijnlijk, wel voldoende terug te doen. Zodat de
gratis reis, ik schreef het al eerder, toch behoorlijk vet
betaald wordt uiteindelijk.

En zie: toch ook weer een waarheid, dat gratis, waar
een flinke scheut water doorheen geroerd moet om
een waarheid te mogen zijn. Je zou voor het gemak
van al die rondstruinende waarheden zomaar in God
gaan geloven, ware het niet dat je dan wel heel erg
veel water bij je eigen zijn moet doen.

Schrijvers liegen de waarheid is een bekende tover-
spreuk. Mooi niet alleen de schrijvers, zo is na deze
brief mijn zware vermoeden.

Potver, er zompt zowaar een filosoof in mijn navel!

Virulente hoedbewoning

kraaloogjes achter plexiglasweelde
strompelend over manen bij dageraad
pal voor een kastanjevaas met klaprozen

dat kende je wel

een gebroken schepping lijmen
behoorde evenwel tot de mogelijkheden
maar met repareren had je niet zoveel

ook dat wist je

stokrozen midden op de weg
trambanen overwoekerd met schoenen
gevels die verhalen uitdelen

daarvan wist je minder

ook over het wonderwoud van spelen
met wallen tussen scherven van olijke
hoornoten aan bedreven beelden als

“Duizend kippen na de brand afgemaakt”
“Bloemencorso eindigt in drama”
“Spoortrajecten geraakt door de bliksem”

wist je weinig of niets

wel vond je “Singin’ in the rain” nog altijd
een gave film
om die dans                                 in de goot

Brief (109) uit Schiedam

De ANWB?

Daarvan ben ik lid.

Nog wel.

Want zoals Martin Bril (jaja, die lees ik ook, eh voor
het eerst weliswaar, en voor het laatst zo doet het
zich vermoeden, want nog zoveel ander spul is er
in de wereld rap te lezen) in een van zijn stukjes in
een laatste door zijn vrouw samengesteld boek (Het
evenwicht) schrijft dat de hoofddirecteur? van de AN-
WB zich niet heeft te bemoeien met de inrichting van
het Nederlandse landschap tegen verrommeling (Bril
las dat ergens in een artikel – zie zijn boek bladzijde
170 / 171), zo rimmel ik er van dat deze ANWB zich
via een opdringerig reclamespotje op de televoos wil
gaan bemoeien met het feit dat ik winterbanden onder
mijn auto heb te doen.

Winterbanden!

Het is toch een gotspe in een land waar de winter,
uitzonderingen daargelaten, al decennia op decen-
nia alleen wat natte sneeuw heeft weten te produ-
ceren. Nattigheid waarvan de dan ondergebonden
winterbanden op slag aan schaamventielen gaan
lijden krijgt die ANWB-klup (ook in de eerstegraads
autobisnis tegenwoordig) met genoemde promotie-
campagne het voor elkaar heel rijdend Nederland
aan winterrubbers te verslaven. Rubbers zoals ge-
zegd meestentijds nutteloos, vette winters namelijk
zoals in Rusland en omstreken zijn hier statistisch
gezien niet te verwachten dan eens in de twintig tot
vijftig jaar of daaromtrent.

En dan, waar al die extra banden te laten?

Ja, eerst een opslagje.

Maar dan?

Al jaren lid, ik dus.

In al die jaren 1! keer gebruik gemaakt van die klup
via een plots te leeggebloede accu. In Delft was dat.

1 beproevend klein keertje!

Hoewel, er zij gezegd dat ik ze ook eens nodig had
in België. In het badplaatsje Oostende brak zowaar
auf einmal de koppelingskabel van de Opel Combo.
Gestrand in een streepje winkelstraat de ANWB ge-
beld in de veronderstelling dat die wel een bevredig-
ende oplossing voor het ontstane probleem zou aan-
dragen met alle égards een al jaren trouw betalend
lid ten volle waardig!!! Uiteraard leest u hem al aan-
komen; of ik een lidmaatschap had voor het buiten-
land zo begon de floerse ANWB-stem in mijn mobiel.

Eh… Nee dus.

Want uh geen idee (ik lees ‘t klupblaadje of anders-
zins gedrukt ANWBgedoe nooit) dat dát nodig was.
Dan kunnen wij u niet helpen, probeert u het eens
bij de Belgische wegenwacht, zo was het antwoord
van dé klup van Nederland aan mij, trouw lid, die in
een smal winkelstraatje stond waar het dus heel wel
gezellig verboden te parkeren gold.

Een nogal smoorbrengende oplossing.

En dat van een klup die nu ook nog eens verdomme
op sturende wijze alle automobilsten een flinke zooi
meestentijds zéér overbodige winterbanden door het
ragrijdstrotje wil stuwen.

Stuwen ja.

Hoewel, HOEWEL.

Voor het eindejaarsfeest is het natuurlijk wel tof, zo-
veel extra extra! banden. Want branden, dat doen
banden als geen ander. En dat er millieutechnisch
het een en ander op aan te merken is, nu ja, dat is
meer iets voor al de rondleuzende gediplomeerde
beroepskniesoren.

Maar goed, voor een noodkabeltje dat ik echt wel
binnen twee weken diende te vervangen aldus een
opgemobielde Belgische wegenwachtman mocht
ik heus een droeve bak aan euro’s betalen. Ja, een
werkelijk onbehoorlijke smak euro’s. En dan nog
stevent België op een dodelijke financiële crisis af
zo schreeuwen de alom rondzwiepende berichten.

Overigens, nauwelijks bekomen terug in Nederland
liet men mij ook hier een onbedaarlijke plons aan
euro’s voor een volwaardige Opelkabel neertellen.

ANWB / winterbanden / veiligheid.

Jaja.

Maar ha, de eerste sneeuwklokjes zijn weer in het
land. Toch maar mooi dé fréle aankondigers van
een onbezorgde winterbandenloze periode.

Fréle en sneeuwklokjes?

Een politiek eindje dan maar?

Da’s wél altijd high-brow. Maar wéér Geert? Het wordt
zo gewoontjes inmiddels. En Job is ook al weg. Moeten
we het ineens met vijf andere koppen doen. En dat ter-
wijl het kopje van Job zo lekker begon te beklijven. Geen
Job, geen top wil je haast gaan denken bij alle liefcom-
mentaartjes uit de Pvda na de aftocht van hun aller Job.

Potver!

Wellicht dat de ANWB hier ook iets mee kan?

Brief (108) uit Schiedam

Zo, de kou is in ieder geval uit het weer verdwenen.
En weg ook de zoveelste niet-stedentocht.
Met een gerust hart is er weer te werken.

Aan een brief als deze bijvoorbeeld.
De eerste van dit jaar.
Terwijl het toch al half februari is.

En daar we het toch over het weer hebben:

Als er nu een koe te water raakt, hoeveel eerder zal het beest
doodgaan nu het water nog wel een tijdje ijzig koud heeft te zijn.

Een schaap mag natuurlijk ook.
Een mens wordt al wat minder.

Hoewel Geert en afkoeling, de winter zou in ieder geval, nu de
stedentocht niet doorgaat, niet voor niets zo stevig gewinterd
hebben. Niet dat Geert hetzelfde lot als de koe van dat sneller
doodgaan hoeft te ondergaan, nee, maar hem een beetje kou
zoals die op een van de Polen heerst laten beleven, het kan zo-
maar een heel gaaf hulpje zijn het vreemde concept van vrijheid
dat hij onder zijn buitensporig begroeide schedel beleeft een iet-
wat fris bij te stellen. Het zou van zijn winter een mooie zomer
maken. Rutte zou het wel zo zonnig vinden gebeurde dat bijstel-
len zonder er wat van te hoeven zeggen, want ook hij staat in-
middels stevig aan de rand van de nog ijskoude sloot. Een ril-
positie waar de oppositie vreugde van op de horizon gaat zien,
ze trekken in ieder geval lekker stevig aan de panden van Rut-
tes leidersjasje en trachten hem dichter naar de rand van de
sloot te manouvreren. Rutte rilt al licht in zijn gedoogafhanke-
lijke positie, maar de panden van zijn jasje houden stand in hun
stevige stiksels, geen enkele breuk geven ze vooralsnog toe.

Goed, dit wat betreft de toestand van al de wereld Nederland.

Nu even over heel de wereld Schiedam, want nog altijd zonder
officiële burgemeester dit stadje omdat vrouwe Verver eruit is
gebonjourd vanwege vermeende malversaties op het gebied
van financiële privélekkernijen. Het blondmeidje is inmiddels
weer half en half gerehabiliteerd en zal een door de gemeente
op te hoesten vette zak geld kunnen gaan besteden aan haar
o zo geknakte leventje. Geknakt! Ja heus, want ze mag niet als
hoofd van de stad terugkeren. Of hier de winter ook zomers
zal gaan schijnen wil nog de vraag zijn, de gemeente namelijk
heeft al zoveel schulden dat die Ververse zak geld mogelijk wel
eens over de ruggen van de armsten van de stad naar boven
gehaald heeft te moeten worden. De eerste tekenen lijken er al,
waar de armen in het verleden ongeveer twee maal driehonderd
euro als extra ondersteuning ter draging van hun armoei kregen
is er zowaar dit jaar al de helft van afgesnoept.

Het geeft toch als het ware te denken.

Met Europa gaat het overigens ook wel kek slootwaarts zo lijkt het.
Nog even en de aloude dame mag naar de gaarkeuken marcheren.
Nee, hier is de zomerse winter nog meer stevige kilometers weg
mogen we alle helse berichten die werkelijk als een tsunami aan-
stormen geloven:

Griekenland treur / Italië treur / Spanje treur / Frankrijk treur / Por-
tugal treur en en en en en en en en en en en en en en en en en…

Godver!

Node: een gedichtje.

Ja, een kloek versje ter opleuking van zoveel treur:

De zon flonkert behoorlijk pervers vandaag
 
maskers bloot plots
boven
iets van al schouders
van veraf nog
klinken liedjes
eens vrolijk geblazen
maar in de camera het rolletje
Klik Klik Klik
: een grote, te grote reus
zittend
op de rand van de wereld
om zijn nek een bordje:
Te Koop
daaronder
de kleine letters
bijna onleesbaar:
Hoor me
Buig me
Ontdek de duizend dwergen in mij
Maar de zon flonkert dan ook behoorlijk pervers vandaag
 

Romanke .13

Het complete seizoen

soms breken ze

nagels

te weinig in sloten gedacht
nooit alle zeven gezien ook

laat staan erin gevallen

dit alles wel graag opslaan als concept
want wat af is doet niet echt meer mee

zo heb je huizen die klaar zijn
snel door gewoonte bewoond
bruggen die oevers verbinden
waarvan men niet meer opkijkt

radiostilte geen optie

in Spanje doen ze stieren
en de zee ook al zo groot

en wegen MOETEN aangelegd
dus bermen vol ongebruikt vlees

(dit voor de partij voor de dieren)
(en dat van die stieren natuurlijk)

nagels

soms breken ze

toch tot in het graf weten we
ze een tijdje nog te groeien

Romanke .12

Kaskraker

juist voor een laatste slok koffie
op het moment van naar bed
of om het even naar de winkel*

sluipt er steeklicht aan het raam

wel de bril op
maar
de glazen druil

midden in de nacht
dus doet hij verder

want

hond heet poeh
hier volkomen
overbodig te zijn

de broekzak vol knikkers loopt leeg op de trap
de kat heeft bergen lol vangt bijna alle stuiters

geamuseerd stapt hij
zijn thuis naar buiten

de maanvis in de kom binnen
kieuwt het water of het zowaar
in een flauwe grap is geraakt

haakt zijnsrondjes

ingrediënten voor komexistentie

zijnsrondjes

HET ZAL DIT GEDICHT LEREN


*avondwinkels alom

Romanke .11

Hoogmuziek

vogels op blote hoogte met veren rondom
kennen de slagen van soms een bekje spuug
maar ook geen spatje aan de hemel vooral

op een groen groen groen groen knollen
knollenland onze vleugels heel parmant

pepermuntje op de tong
een veilig aan de grond

vanwege zaakjes op leven danig

dagen geil

en niet uit elkaar want waar
geloofd wordt zwellen wanen
zonder doodgelakte appels

plus afstandsbediening
op weggelaten dromen

en ook zo af en toe wat mes
op de keel hup een-twee-drie

zo lopen we aan we op conversatie

de veren rondom

geen spatje aan de hemel vooral

Romanke .10

Overbelicht

water past overal in al wil vader nooit naar het strand
omdat ie dan zijn sokken uit moet doen zijn haren ongekamd gaan
als Sirenen in een koekenpan met glazen deksel waarin een gaatje

voor het ontsnappen van hete lucht

moeder achter haar meubelscherm daar geen weet in wil hebben
naast hun vijver zonder vissen en flansend wier weggeknipt om altijd theewater
want water past zoals fijn klavertjes vier smijten over dat waartoe vader stuitert
waarvan moeder haar krulharen stijf aan de vaatdoek houdt

zo

dat ze er de dagen mee vullen

het huis in gestuwde vlaag aan ijle struiswolken hangen

Romanke .9

Dus moet het een gedicht zijn

liederlijk zo bulkt een boek uit de boekenkast
lente zo zingt een ander geschrift
onzin zo ook lepelt er tussen wat kaften uit

op de tafel een tekening
daarop bedreven mieren
getekend in een naïeve stijl

ik eet een Berliner bol

Jezus hangt cosy aan het kruis boven de deur

o een paar sluike dijen nu
en ja ook de thee al koud

zeeslagen zo lonkt een paperback

uit mijn geschiedenis pulk ik...

verrijking op het lek zo sijpelt er onverstoorbaar uit een bundel essays

op het raam druppelt mooi weer
de gordijnen dik doende zich te

verzwijgen

weg in eigen zolder zo fluistert een fraai glanzend anthologietje

de op het vel
getekende mieren
ze woelen

lessen in lyriek zo zwijmelt W. Bronzwaer naast een boek over Hitler

Romanke .8

Zeven sloten

zo kijk je het gras uit tuinen van sporters
zo kijk je wapenblauw op de lucht
of laat je wat koeien hun uiers ontploffen

je probeert eens wat
je slaakt een boek open
je bakt een haantje
je geniet je huurtoeslag

een kasteel dat nog niet op instorten staat
pulkt aan eigen fundament om een knap afscheid
in de gangen heerst dat wat gangen tot gang maakt
en buiten kijkt een meisje op naar de trans
waaraan een witte zakdoek fladdert
die probeert het gebouw vlot te trekken bedenkt ze

ook zij probeert eens wat

want de schepping geen slecht idee

in de buik van de walvis waar Jonas ook al zo huisde is
het een bende van jewelste maar het spugen blijft uit
het beest zwemt gewoon door zoals het voorwaar hoort

het geeft toch te denken

zoenendebelofteinboedel en geen uitvaart
als euthanasie nog moet volgen probeer je
niet uit overtuiging maar meer uit gewoonte

zoals er altijd wel koeien in weilanden staan
zoals er nur wat letters als je nooit echt leest

je probeert eens wat

stenen / platte stenen

de rivier ketst ze in een heg rond een speelplaats

Romanke .7

AaBbCcDd et et et et et cetera

en dan historie herhaalt zich
niet moeilijk is het om je te
tot op de overkant te dragen

aldus de dragers van klare kleding
veelal behoorlijk leb van alle drang

anders dan tussen behang aan krappe muren
waar ze achter gefronste lippen alles ja alles
willen vertellen / op verhaal wel (gordijnen toe)

dat ze heus willen gaan

maar altijd is er dan wel een buurman
die stuurs kijkt
over het hek

in hun visvijver zijn vrouw
en de maan rap vol op weg
naar whiter shade of alle álle pale

waarom glimmen in een auto
waarom die oogachterlijke bril
waarom vlies zijn in alom wak

zo stelt de buurman

en steekt zijn tuin in brand

de volgende dag gaat in de krant gewag gemaakt van
een vrouw met gele lelies in haar handen  tijdens een brand
en een hek dat gespaard bleef al bezeerde een man zich eraan

het heelal doet hier natuurlijk weer niks mee

en ook al die muren die Jezus eeuwig maar zo laten hangen

niet veel later (er vloog een doorkijkje over
en de windmolens deden in zee hun gang)
doezelde de krant in de gekuiste kattenbak

Romanke .6

Taartdrab en andere vormen van een simpel liedje

op het moment dat de zwetende man
er de verjaardagstaart op wilde zetten
ondertussen stroef mompelend dat er

weer

een fikse stap dichter gezet was naar
(al was hij pas zesenveertig en zijn dus
strandlieve vrouw argwelig veel jonger)

brak de tafel in tweeën.

op de eeuwigheid is zelfs negentig jaar
helemaal niks zo placht hij te zeggen
op verjaardagsfeesten of anderszinse
bijeenkomsten waar je vrolijk mag zijn.

alzo sneuvelde met de tafel de taart.
gegodver ging verloren in de breuk.

en of de feestzin nog ‘s extra niet wilde
swingen werd er buitenshuis een kind
aangereden door een auto die dan wel
geen milimeter te hard reed maar wel
loepzuiver ingleed op het stukje mens.

de taartdrab bij elkaar in warme vorm
geschoven en stevig aangestampt tot
men het kind wegnam in een lijkwagen.

ergens gleed er ruis uit een slaakpand
maar dat had niet per se iets te maken
met het verlies van de verjaardagstaart.

het feest vond volle doorgang in ‘t ware
besef dat 1 dode zwaluw weliswaar een
strontje op de lente zet maar geen lied
kan blussen op de blij komende zomer.

net aan de warmte zag men stuitende
ballonnen in de lucht men moest weer
denken aan de verjaardagstaart van de
zwetende man waarvan de oplaters dus
heus ook fiks een brok hadden gegeten.

nog later

maar geheel volgens de seizoenswissel
brak de winter in alle hevigheid aan en
men vond dat er veel was beleefd in de
stad. De vijvers vroren ervan dicht maar
de vissen wisten behendig te overleven.

Romanke .5

Labels

bomen in de straat staan zich
blakend groen te klauwen bij
veel uitzicht vanaf het balkon

zijn hobby

de stekelbaars houdt niet op
te bestaan zo’n zestien keer
per maand drijft ze zich aan
het aanwezige water dood al
wil haar lijkje nooit gevonden

of met stokrechte woorden en tegen alle versregels in:

er graast wat klots aan het lijf

een gerommel dat de avonturen
uit het groen pijnlijk tekort doet

Terug! naar de blomme regels

de ramen in de gevels blinken
alsof ze hem tot leven sporen
veel heimelijk bochelen van
gordijnen achter glasruggen

hij: fuck de mythe

en droogt de stekelbaars aan
de overlopende tekst van zijn
ware lijf waarin meiden beslist

maar nagel zwemt de maan
tegen het logge nachtlaken

moeder houdt z’n ijzers in het vuur
de omvang niet te pruimen maar
bij de patatzaak weten ze wel raad

stellen: suck de poëzie in moeders

op het platteland valt van het dak
van een hoeve geen volvette mus
de buurtinspectie rept in op duister

zoveel poëzie in patat met mayonaise

de stekelbaars alweer dood doft
zich op voor een volgende ronde

Romanke .4

Uitzetting

onder de deurmat wonen
veel spinnen. vader spin is
al eens buitengezet. netjes.

vader spin zag verdwaasd
toen om zich heen leerde
van warrige schreden drab.

rap na de uitzet wandelde
vader spin terug naar de
rand van de mat waar hij
zich lang al te wonen wist.

op de straat deden mensen
mensen. gevoelig als waren
ze nogal voor alles mogelijk.

ergens in veel tuin speelde
een hardhouten model voor
tuinkabouter als hoofd van
een gave ti ta straaldevisie.

voor haar computer zat een
vrouw een gedicht te lezen
bedacht na de schermtuur
als existentiële bergdalen
naar de wolken vallen dan
zal mijn sterrenstelsel wel
triljoenen wensen opdoen.

tegen de gevel van haar huis
stond een fiets prettig met
een lekke band. er ging niet
gegaan naar al overkomen.

't model van de straaldivisie
liet een wondernagel op stel
aanbrengen opdat het hoofd
kon blijven tot aan de dood.

in ‘t zicht van een ijsfabriek
sprak haar bouwvakker een
steen aan met de woorden
mijn leven jij harde donder.

de mat is nooit meer geklopt

vader spin was vol tevreden
liet familie uit het naburige
huis overkomen tot feesten.

en ook de tuin deed weer mee.

Romanke .3

Locatie op drift

we stopten voor een winkelcentrum
of men het ons voor de neus schoof

plots

en zonder dat we vroeg waren opgestaan

maar moeder ontmoette zo
haar eerste jeugdliefde
tachtig en gek genoeg
wist ze het nog tot in detail.

werkelijk een secuur verhaal

naar binnen dus.

op de kledingafdeling moest ze jurken
op de meubelafdeling moest ze stoelen
op de verpleegafdeling vastgebonden
kwam ze tot een set pillen en tot rust.

het winkelcentrum de schade betalen want
ook zonder ons moeder de wereld vol God

(een auto zou er zomaar voor gekocht
maar een droger was haar toch liever
heus dat wisten we nog van toen thuis
en vader maar knikken op zijn buidel
gezeten als de koning zonder kleding)

onhandige avances maar hij was heel
geweldig dat nog vertelde ze dus erg
nipt voor al die pillen moesten geslikt.