AIKE
Geen vloeken meer zo beloof ik mijn vriend
om zijn gevoeligheid op dat vlak wat te ont-
zien. Al zal dat niet altijd meevallen, want
al het ondergaan van leven dondert onver-
droten grommen en godvers in de kleurkuil
van het gebeuren bij tijd en wijle. Mijn vriend
knikt en kijkt naar ‘t scherm van mijn com-
puter, drukt uit vreugde over mijn zoete wel-
willendheid op een paar toetsen zodat er gd-
ver een andere tekst tevoorschijn floept. Na
het lezen ervan zegt hij: je moet deze tekst
in dit stukje zetten, want ik vind ‘t zo mooi,
zo herkenbaar, zo heerlijk invoelbaar ook.
Heus, hij zegt het.
Direct wil ik er aan toegeven, aan dat verzoek,
door de fijnhup die in mijn lijf doende gaat over
het feit dat er ongevraagd een initiatief uit hem
voortflubbert. Dat nu al te beleven is me een
heel ding, want toch iets waar ik vanaf aanvang
van het optekenen van deze gebeurtenissen al
naar toe heb geleefd. Echter, zo bedenk ik me
op tijd, dat herkenbare en heerlijk invoelbare als
typering voor het mooi vinden van een tekst is
nu niet bepaald een aanbeveling.
Een weigering van de schrijver is het gevolg.
Even is er een vlijmbliksem in zijn kraaloogjes.
Heel even maar. Dan rammelt hij overdrachte-
lijk gesproken met talloze emmers op emmers
om mijn weigering ongedaan te krijgen. En gd-
ver zo lang gaat mijn nieuwe vriend tekeer met
die voor water bedoelde dingen dat ik uiteinde-
lijk een stevige duik moet doen in een conces-
sie bestaande uit een deel van het vers (dat is
het nl wat ie zo mooi vindt) hier te plaatsen met
ook de eis een link naar de rest er bij te plaats-
en zodat de lezers het helemaal kunnen lezen.
Ik brom nog wat over de schaamteloosheid
waarmee hij me probeert te dwingen dit vers
hier neer te schrijven, zeker daar de typeringen
voor het mooi vinden me gewoon niet bevallen.
(!!!!!, hij)
(eh…, ik)
(!!!!!!!!!, hij)
Zucht (ik), hier dan toch het consessieve fragje:
Een kleine vertelling
Ik?
Ik heb kanker.
Ik lig hier al weken.
En ik word goed verzorgd.
Door vrouwen.
Vrouwen die ik zonder nooit zou hebben leren kennen.
Vrouwen gekleed in het wit.
Als bruidjes.
Verzorgend, bezorgd, maar ook doortastend.
Ik koester mijn kanker.
Ik lig hier goed.
Ik word volledig gecompenseerd.
Regelmatig wordt het in mijn buik betast.
Zachte handen.
Waarbij een stem.
‘Doet het pijn?’
Alsof er gevraagd wordt: ‘Nog een keer?’
Et cetera.
Maar geen link! Ondanks de wens van mijn vriend hier
even niet natuurlijk. De afloop van het gedicht mag de
al te volhoudende letterliefhebber zelf gaan zoeken op
de ranke digidaasweg vol krotmogelijkheden.
Ha, je zal zien dat de meeste lezers het, als ze de link
toch gevonden hebben, met me eens zijn dat dit een
heerlijk herkenbaar en invoelbaar vers is, ja, een vers
dat de emotionele snaar van de lezer precies weet te
raken zo dramt mijn vriend nog even door omdat op
mijn gezicht een donderteken als een rakke tak groeit
die alsnog het vers zo snel mogelijk naar een volledig
onbestaan wil deleten. Ach man, het is dus effe gewoon
een lekker vers dat bij de meeste lezers die een der-
gelijke ervaring hebben gehad zo’n ervaring direct weer
naar boven laat komen en dat is toch mooi, zulk een
tedere, pasklare troost?
Naar afl 6.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten